18 mars 2016 – Pierre Delion: La fonction phorique NL

De forische functie

Variaties op de forische, semaforische en metaforische functie en op de psychotherapie in de instellingen

Pierre Delion

 

Voor sommige baby’s, kinderen en jongeren bleef de forische functie vanaf het begin in gebreke. Ze blijven dan steken in woedeaanvallen of protesten waaraan ze een pseudohouvast ontlenen, dat echter niet op de ander is gericht en intersubjectief nergens toe leidt. Dit stelt volgens mij speciale vereisten aan de voorzieningen binnen de gezondheidszorg die zich speciaal op deze kinderen en jongeren richten, bijvoorbeeld dat de continuïteit in de gezondheidszorg metapsychologisch wordt uitgediept en dat men nadenkt over de verschillende vormen van overdracht bij verschillen in subjectief lijden in de psychopathologiën. Henry Maldiney[1] spreekt over het mogelijk maken ( “possibilisation”) van de overdrachtsrelatie. Om te beginnen kunnen de verschillende vormen van instituties, van “transferentiële constellaties[2]”, helpen met onthaal en transformatie ervan. Verzorgenden binnen kinderpsychiatrische teams voor baby’s en adolescenten mogen dat soort denkwerk niet uit de weg gaan, omdat ze anders hun patiënten een doeltreffende forische functie, ontzeggen, terwijl ze net beweren hen te verzorgen. Eerder dan dat een zorgteam zich aan het psychisch lijden van elke aparte patiënt aanpast, zou de patiënt zich dan moeten voegen naar een “algemeen” protocol voor een of andere standaardaandoening waaraan hij geacht wordt te lijden. Willen we een kind zolang het nodig is – “juist lang genoeg” zegt Hélène Chaigneau[3] – op onze psychische schouders dragen, dan kan het helpen de eerste forische functie uit te breiden met een tweede en een derde die zich dialectisch tot elkaar verhouden. Het begrip forische functie werd door H.F. Robelet[4] uit “De Elzenkoning” van M.Tournier[5] gehaald. Het heeft te maken met al wat een mens in een toestand van afhankelijkheid brengt of vasthoudt, waardoor hij de ander in zijn dragende functie hartsgrondig nodig heeft. Dat gedragen worden is lichamelijk, bij de baby die nog niet alleen kan stappen of psychisch, bij psychotische mensen die langdurig of zelfs hun leven lang gedragen moeten worden willen ze het pad van hun eigen driftmatige lot kunnen volgen. Het concept staat dicht bij de “holding” van Winnicott, dat ik graag als “forische functie” vertaal[6]. “De moederlijke zorg vormt pre- en perinataal tot in de kleinste details een omvattende omgeving (holding environment). Daartoe behoort ook de allereerste moederlijke zorgende instelling waardoor zij het ik van de baby de steun kan verlenen die hij nodig heeft. Het fysieke en psychische vasthouden waarzonder de baby niet kan blijft gedurende zijn hele ontwikkeling van belang: de draagwijdte van een omvattende omgeving is moeilijk te onderschatten[7]”. Als dit “psychische en fysieke” vasthouden wegvalt is het aan de instellingen om bruikbare dingen[8] voor te stellen bij wijze van forisch kader dat als basis zal dienen voor de semaforische en metaforische functies.

 

Bij de eerste functie gaat het om het aanbieden van een fysieke, maar vooral ook een psychische ruimte, waarin tekens van psychisch lijden van de patiënt, waarvan de zin niet te ontcijferen is (ze worden krankzinnigen genoemd), door de verzorgenden ontvangen en getransformeerd worden: op die manier kan iets wat “geen plaats grijpt” (een non-lieu) iets worden wat gebeurt en plaats vindt. Een institutie die naam waardig biedt ruimtes voor onthaal en observatie van het psychisch lijden, naast plaatsen die in ruimte en tijd worden omringd door een “cordon sanitaire” van psychische apparatuur van de verzorgenden die, als de wind meezit, een “collectief[9]” kunnen worden zoals Jean Oury het voor ogen had, waardoor “institutioneel werken” mogelijk wordt. Het uurrooster en de frequentie van een therapeutische activiteit of andere kleine variaties in het zorgproces leggen concrete beperkingen op: het zijn alibi’s die gelegenheden bieden om het psychisch lijden van het kind te dragen, de forische functie. Alleen dat zou al nuttig zijn, maar is niet meer dan een basisvaardigheid voor hulp aan de ander. Stelt een verzorgende zijn psychisch apparaat daarnaast ook nog beschikbaar voor het lijden dat verschillende vormen kan aannemen, dan is dit een subjectaal antwoord voor het zich ontwikkelende overdrachtelijke proces. Deze functie noem ik semaforisch[10] (ik word drager van tekens van psychisch lijden dat de patiënt nog altijd niet in een in woorden geprononceerde taal kan uitdrukken). Ze lijkt op de tegenoverdracht en op de tegenattitudes van de verzorgenden en staat in relatie tot de transferentiële fenomenen waarvan zij subject zijn.

Elk personeelslid kan deze aspecten van het eigen professioneel avontuur doorwerken in een individuele of groepssupervisie. Dat is niet alleen nodig maar vormt ook de kern van de opleiding. Bij zware persoonlijkheidsstoornissen moeten we soms overgaan naar een institutionele benadering, zoals beschreven door Tosquelles met zijn “transferentiële constellatie” of door Racamier[11] die verwijst naar het onderzoek van Stanton en Schwarz in Chestnut Lodge. Dit noem ik de metaforische functie. De institutionele manier van werken bevordert het werk van transformatie van “β-bizarre elementen” (Bion) die beslag leggen op het transferentiële veld van pathologische (in het bijzonder psychotische en borderline) persoonlijkheden. Samen met het kind organiseert het personeel de onthaalruimtes zo dat het van bij de eerste ontmoeting in een overdrachtelijk gasthuis aan de slag kan gaan. De tekens, symptomen, indexicale tekens van psychisch lijden van elk kind zijn als de “β-bizarre elementen” die een recipiënt zoeken, de omvattende, “α-moederlijke functie”, een instrument om de “nog-niet gedachten” te denken. De verzorgenden vormen een collectief instrument om de niet-gedachten van autistische en psychotische kinderen te denken. Hun functie bestaat er enerzijds in het kind te ontvangen in zijn uniekheid als subject – het transferentiële onthaal – en anderzijds het te ontvangen met zijn “objectieve tekens” (de ziekte) – het diagnostische onthaal. Er bestaat een reëel risico om met een “Ω-functie” te reageren en de eigen β-bizarre elementen in het kind te projecteren. Dit zou voor hem neerkomen op een herhaling van het type relatie dat hij eerder in zijn gezin heeft ontwikkeld. Voor G. Williams is de Ω-functie een pathologische introjectie: “Terwijl de introjectie van de α-functie helpt met verbinden en met het organiseren van een structuur, heeft de introjectie van de Ω-functie een omgekeerd effect: ze verstoort en fragmenteert de ontwikkeling van de persoonlijkheid”[12]. Dat soort introjecties kan het kind ertoe brengen zich te “verdedigen” met ernstige stoornissen, zoals anorexia nervosa of gastro-oesophageale reflux bij de baby[13].

Aldus wordt de instelling een onthaalruimte voor psychisch lijden voor elke patiënt apart en op zijn eigen niveau, waar iedere baby met zijn ouders, elk kind en elke adolescent de verloren-gevonden-ontworpen objecten opnieuw kan ontdekken. Daardoor kan elk van hen zijn eigen relaas reconstrueren, maar dan vanaf nu in de eerste persoon.

De forische functie is dus als het ware een filosofie over de zorg die er op neerkomt dat de ander opgenomen en zo lang als nodig fysiek en psychisch gedragen wordt, tot hij het zelf kan. Dit veronderstelt ook het vermogen om te gaan met separatie op de gepaste momenten. Volgens deze denkbeelden kunnen sommige patiënten gevangen zitten in archaïsche psychopathologische processen en hun leven lang nood hebben aan dat soort functie. Dit vraagt om zorgteams die dit soort werk over lange tijd kunnen blijven doen. Natuurlijk vereist dit het nodige denkwerk op institutioneel vlak: de overdracht moet in zo’n kader bewerkt worden met behulp van de specifieke institutionele hulpmiddelen die door de medespelers van de beweging van de institutionele psychotherapie werden uitgewerkt, zoals de begrippen transferentiële constellatie, teamvergadering, vrije circulatie van woord en in de ruimtes, subjectale hiërarchie, complementaire verhoudingen. Tenzij we terug willen naar een psychiatrisch asiel, is het ondenkbaar dat een zorgteam alleen maar met zichzelf bezig is in plaats van met een principiële opening naar de wereld. Dat veronderstelt een praktijk van complementariteit met alle partners die nodig zijn om de patiënt bezield te houden in een open omgeving die iedereen in zijn uniekheid respecteert.

De forische functie is een denkbeeld in het verlengde van ideeën over zorg die tot in de wijken van de stad reikt (zoals ze in de sectorpsychiatrie “à la française” werd gerealiseerd). Dit kan voorkomen dat deze vormen van overdracht blindelings opnieuw het scenario gaan schrijven voor de mensen die met en rond de patiënt in kwestie werken.

Als de forische functie op een betekenisvolle manier vorm krijgt voor een patiënt, zorgt dit ervoor dat de mogelijkheid om een therapeutisch werk te beginnen binnen zijn bereik komt en dat een evolutie op het vlak van separatie-autonomisering mogelijk wordt, ook al blijft dit meestal wel relatief. Het gaat over de creatie van een nieuwe metapsychologie van de overdracht rondom mensen met archaïsche pathologieën die onderhevig zijn aan alle schakeringen van afhankelijkheid.

(vertaling: Mileen Janssens)

[1] Maldiney, H., Penser l’homme et la folie, Milon, Grenoble, 2007.

[2] Delion,P., Accueillir et soigner la souffrance psychique de la personne, Dunod, 2ème édition, Paris, 2010, 138-139.

[3] Chaigneau, H., Ce qui suffit. Réflexions surgies de la fréquentation au long cours des schizophrènes, L’inform. Psych., 1983, 59, 3.

[4] Robelet, HF., Effets de lieu et psychose, Thèse de médecine, Angers, 1981.

[5] Tournier, M., Le roi des aulnes, Gallimard, Paris, 1970/ Tournier, M. De Elzenkoning, Meulenhoff ,2010

[6] Delion, P., Donald Winnicott, Michel Tournier, et la fonction phorique, in Winnicott et la création humaine, Braconnier, A., Golse, B., (sous la dir.), Carnet psy, Erès, Toulouse, 2012, 17-35.

[7] Abram, J., Le langage de Winnicott, trad. Athanassiou, C., Popesco, Paris, 2001, 355.

[8] « Praticables » : Oury, J., Transfert et espaces du dire, L’inform. Psych., 1983, 59, 3.

[9] Oury, J., Le collectif, Séminaire de Sainte Anne, Scarabée (1986), Champ social (2006).

[10] Delion, P., L’enfant autiste, le bébé et la sémiotique, PUF, Le fil rouge, Paris, 2000./ Het autistische kind, de baby en de semiotiek. Garant, 2007 (met voorwoord Annette Watillon)

[11] Racamier, PC., Le psychanalyste sans divan, Payot, Paris, 1970.

[12] Williams, G., Internal landscapes and foreign bodies, Tavistock, London, 1997, 123.

[13] Missonnier, S., Boige, N., Je régurgite, donc je suis ; vers une approche psychosomatique du reflux gastro-oesophagien du nourrisson, Devenir, 11, 3, 1999, 51-84.

Ce message est également disponible en : Frans

%d bloggers liken dit: