Freuds doodsdrift: metapsychologie en kliniek – Jens De Vleminck

 

 

Inleiding

Wanneer Donald Winnicott in 1952 aan collega-analyticus Roger Money-Kyrle toevertrouwt dat de introductie van de doodsdrift ‹wellicht Freuds enige blunder› is, toont hij zich slechts één van de zovelen die Freuds enigmatische concept genadeloos afbranden (Rodman 1987, p. 42; vert. JDV). Van meet af aan kende het doodsdriftconcept immers meer tegen- dan voorstanders. En de eerste groep werd met de jaren alleen maar groter. Critici verwensen de doodsdrift als een ‹monsterlijk gedrocht› en een non-concept dat de psychoanalytische theorie en kliniek beter arm dan rijk zijn (Laplanche 1970, p. 184; vert. JDV). Toch heeft massieve tegenstand Freud niet verhinderd om het concept vanaf Aan gene zijde van het lustprincipe (1920) tot en met het postuum verschenen Hoofdlijnen van de psychoanalyse (1940) onverstoord te hanteren. Dit maakt het onmogelijk om de doodsdrift weg te wuiven als een lapsus of een exclusief neologisme. Integendeel, we zien hoe Freud het concept in de jaren 1920 — samen met het oedipuscomplex en de tweede topica (Boven-Ik, Ik, Es) — stevig verankert in zijn metapsychologie en hoe hij de doodsdrift gaat beschouwen als een onvervreemdbaar ingrediënt van zijn denken. Toch blijft de doodsdrift ook vandaag voor vele psychoanalytici een onverteerbare rest, een nutteloze franje en het psychoanalytische Fremdkörper bij uitstek. Redenen te over om de vraag te stellen naar zowel de metapsychologische als de klinische status en relevantie van Freuds concept.[1]

Alvorens deze vraag pogen te beantwoorden, lijkt het aangewezen om eerst een stap terug te zetten. Om op een meer adequate wijze te kunnen begrijpen waarom Freud de term introduceert en wat de metapsychologische en klinische implicaties daarvan zijn, ga ik na wat de oorsprong van het doodsdriftconcept is. Freud is immers niet de geestelijke vader van het concept, zo blijkt. Het concept kent bovendien een langere, pre-freudiaanse ‹werkingsgeschiedenis› (Wirkungsgeschichte) dan men meestal vermoedt.[2] In tegenstelling tot bij Freuds oneigenlijk gebruik van betekenaars als ‹Oedipus› (Sophocles) en ‹Es› (Schopenhauer, Nietzsche, Groddeck), wordt over de genealogie van de doodsdrift om onduidelijke redenen nauwelijks gerept. Toch is het niet ondenkbaar dat de historische betekenissedimenten die het concept willens nillens aankleven, blijven resoneren. Mogelijk werpen deze connotaties zelfs een bijkomend licht op Freuds adoptie van de doodsdrift, inclusief op de manier waarop dit concept vanaf 1920 zijn denken ingrijpend mee vorm heeft gegeven. Zo verschijnt de doodsdrift a posteriori als één van de symptomen par excellence van de spanning tussen de laatromantiek en het darwiniaans geïnspireerde vooruitgangsdenken waar de freudiaanse psychoanalyse als dusdanig de emanatie van is.

Het eerste deel van deze bijdrage vertrekt van één voetnoot in Freuds Aan gene zijde van het lustprincipe (1920, p. 210, noot 85). Op basis van een ‹autopsie› ervan stel ik de vraag naar de pre-freudiaanse genealogie van het doodsdriftconcept. Freud maakt vluchtig melding van een viertal bronnen. Maar speelt hij daarmee volledig open kaart? Of laat Freud veel crucialere bronnen onvermeld? Ik zal kort enkele onderzoekslijnen verkennen.

In het tweede deel van deze bijdrage trekken we van dezelfde voetnoot verder naar de ruimere freudiaanse metapsychologische en klinische context. Met Aan gene zijde van het lustprincipe als vertrekpunt beweeg ik me door een aantal van de erop volgende sleutelteksten met de vraag naar de specifieke onderzoekscontext die Freud ertoe noopte de doodsdrift te introduceren en in de op Jenseits volgende teksten met toenemende zelfverzekerdheid te blijven hanteren. Het in acht nemen van deze context is noodzakelijk om de metapsychologische en klinische betekenis van Freuds doodsdriftconcept te laten oplichten, zo wil ik verdedigen. De concrete onderzoeksmatrix die Freud hanteert is die van de melancholie. Uitgaan van deze matrix laat de doodsdrift oplichten als een waardevol en integraal bestanddeel van de freudiaanse metapsychologie, dat tevens klinisch relevant (te maken) is. Het karakter van de driftmatigheid die de doodsdrift incarneert wordt verduidelijkt aan de hand van de in Freuds oeuvre veronachtzaamde verwijzing naar het fenomeen van de epilepsie. Tot slot toets ik de implicaties van deze metapsychologische hypothese aan de klinische praktijk via een kort vignet.

Op het voorplan

Aan gene zijde van het lustprincipe staat erom bekend een bombastische, quasi metafysische studie te zijn, die bovendien een van de meest controversiële concepten van de psychoanalytische metapsychologie introduceert. Het doodsdriftconcept maakt eigenlijk pas zijn opwachting in het voorlaatste hoofdstuk van de tekst, meer bepaald in de context van een uitweiding over het sadisme: ‹Ligt hier niet de hypothese voor de hand dat het sadisme eigenlijk een doodsdrift is […]?› (p. 209). Op de koppeling tussen het sadisme en de doodsdrift zal ik hier niet nader ingaan. Wat mij op dit ogenblik meer intrigeert, is de merkwaardige voetnoot die Freud toevoegt bij de paragraaf die volgt op deze eerste vindplaats van de doodsdrift. Freud schrijft: ‹In een opstel dat rijk aan inhoud en ideeën, maar helaas voor mij niet volkomen begrijpelijk is, heeft Sabina Spielrein (1912) op een goed deel van deze speculaties geanticipeerd. Zij betitelt de sadistische componenten van de seksuele drift als «destructief». Op nog andere wijze heeft A. Stärcke (1914) geprobeerd het begrip libido zelf gelijk te stellen aan het theoretisch te postuleren biologische concept van een aandrift tot de dood. (Vgl. ook Rank, 1907). Evenals in de tekst hierboven getuigen al deze bemoeiingen van de behoefte aan een nog niet bereikte klaarheid in de driftenleer› (p. 210 noot 85). Een paragraaf later verbindt Freud de doodsdrift eveneens met ‹het Nirwanaprincipe, met een term van Barbara Low [1920, 73]› (p. 211). Inzake het concept van de doodsdrift bekent Freud dus expliciet zijn schatplichtigheid aan vier collegae-analytici, namelijk Sabina Spielrein, August Stärcke, Otto Rank en Barbara Low. Laten we Freuds referenties even van naderbij bekijken.

Sabina Spielrein (1885-1942)

Alleen al vanwege de amoureuze verwikkelingen tussen Carl Gustav Jung en Sabina Spielrein, de Russische pupil van Jung en Freud, is Spielrein een van de meest tot de verbeelding sprekende bronnen die Freud vermeldt. Dikwijls vergeet men echter dat Spielreins dissertatie (1911) een pioniersstudie vormt inzake de psychoanalyse van de schizofrenie. De aandacht die Spielrein daarbij heeft voor de ‹antagonistische componenten van de seksualiteit› vormt meteen ook de inzet van haar studie over de doodsdrift (1911, p. 91; vert. JDV). De vraag die haar artikel Destructie als oorzaak van het worden behandelt, luidt: ‹[W]aarom bevat de machtigste drift, de voortplantingsdrift, naast de positieve gevoelens die je a priori kan verwachten, ook negatieve zoals angst en afkeer, die eigenlijk overwonnen moeten worden om te kunnen komen tot een positieve hantering?› (Spielrein 1912, p. 151). Ze verwijst voor haar opvattingen inzake de destructie expliciet naar een passage uit Jungs Wandlungen und Symbole der Libido (1912): ‹Het hartstochtelijk verlangen, d.w.z. de libido, heeft twee kanten: zij is de kracht die alles mooier maakt én in bepaalde gevallen alles vernielt. […] Dat verklaart de doodsfantasieën die met het afzien van het erotische verlangen nogal gemakkelijk samengaan› (Spielrein 1912, p. 151-152). Spielrein maakt Jungs intuïtie concreter door de destructie te expliciteren als ‹de destructieve componenten van de seksuele drift› (p. 153). De destructie maakt bij Spielrein dus inherent deel uit van de seksualiteit, van ‹de voortplantings- (transformatie-) drift› (p. 163). Ze conceptualiseert deze destructie onder meer met de term ‹doodsinstinct› (Todesinstinkt) (p. 174). Deze destructie gaat in tegen de drift tot zelfhandhaving, die Spielrein — net als Freud — naar voren schuift als tegenhanger van de seksualiteit. De aan de transformatie inherente destructie kijkt niet naar het individuele leven om. Spielreins complexe paper maakt uitstapjes naar de biologie, de celtheorie, de filosofie en de mythologie. Ze lardeert haar tekst verder met citaten uit dromen van (schizofrene) patiënten, kinderobservaties, literaire teksten en rabbijnse teksten. Paul Federn, die zich later als adept van Freuds doodsdrift bekent, noemt de complexiteit van Spielreins tekst ‹mystiek› (Federn 1913, p. 92). Ondanks Freuds vermelding van Spielrein zal zij — net als Barbara Low — worden doodgezwegen tijdens het eerste symposium (Marseille, 1984) van de European Psychoanalytical Federation dat specifiek in het teken stond van de doodsdrift (Green e.a. 1986).

August Stärcke (1880-1954)

Naast Rusland was ook Nederland al zeer vroeg een trouwe bondgenoot in de promotie van Freuds Sache. De Nederlandse psychiater-neuroloog August Stärcke, die eveneens bekendheid verwierf als bioloog-entomoloog, kwam met de psychoanalyse in aanraking via de lectuur van Freuds Over de droom (1901), Over de psychopathologie van het dagelijks leven (1901) en via Otto Weiningers Geschlecht und Charakter (1903). Stärcke was vooral geïnteresseerd in de kliniek van de psychose. Hij wijdde daar ook meerdere bijdragen aan. Zijn eerste psychoanalytische artikel schreef hij echter over het thema van de droom (Stärcke 1911). De psychoanalyse betekende een meerwaarde voor de psychiatrische behandeling, aldus Stärcke, onder meer ter bevordering van het contact tussen de arts en de psychotische patiënt voor wie de klassieke kuur ‹ongeschikt› was (Bulhof 1983, p. 197). Tijdens dezelfde avondvergadering als die van Spielreins toetreden (11 oktober 1911) verleent Freud ook ‹Dr. Stärcke, Huister Heide› het officiële lidmaatschap van de Weense Psychoanalytische Vereniging (Nunberg & Federn 1974, p. 281). Stärcke, die als instellingsarts werkzaam was in de Wilhelm Arntsz Hoeve in Den Dolder, wordt beschouwd als diegene die de psychoanalyse mee introduceerde in de Nederlandse psychiatrische wereld. Dit gebeurde in 1912 tijdens een tumultueuze vergadering van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en Neurologie, gewijd aan de psychoanalyse (Stroeken 1997, p. 19; Stärcke 1912). Stärcke verzorgde daarnaast ook de Nederlandse vertaling van Freuds Dwanghandelingen en godsdienstoefeningen (1907) en De ‹culturele› seksuele moraal en de moderne nervositeit (1908). Freud verwijst naar Stärckes inleiding bij deze dubbeluitgave voor zijn vermeende allusie op de doodsdrift (Freud 1920, p. 210 noot 85). Stärcke stelt in zijn inleiding dat de libido er wezenlijk naar streeft ‹te geven, de individualiteit op te heffen, om door de dood de oneindigheid te bereiken› (Stärcke 1914, p. 3). Even verder voegt hij daaraan toe dat de coïtus ‹allernauwst met het sterven […] verbonden [is]› (Stärcke 1914, p. 4). Naast zijn poging tot een synthese van psychoanalyse, psychiatrie en biologie, geloofde hij als cultuurpessimist ook al snel in het cultuurkritische potentieel van de psychoanalyse jegens een samenleving die ‹haar ideaal schijnt te vinden in deze formule: het grootste ongeluk voor het grootste aantal› (Stärcke 1914, p. 6). Stärcke anticipeert daarmee op motieven uit zijn — met de Freudprijs bekroonde — magnum opus Psychoanalyse und Psychiatrie (1921), evenals op Freuds Het onbehagen in de cultuur (1930) en op de veel latere antipsychiatrische geschriften. Stärcke begrijpt de cultuur naar het model van de dwangneurose, als ‹een ziekte […] [met] enig nevengewin waarvan allen profiteren› (Stärcke 1921, p. 28).

Naar aanleiding van de vermelding van zijn naam in Freuds Aan gene zijde van het lustprincipe (1920) laait de onenigheid tussen de tot dusver getrouwe Stärcke en Freud schijnbaar hoog op. Sporen daarvan vinden we terug in hun briefwisseling (1912-1922). In tegenstelling tot Freud, die de destructiedrift en de Eros begrijpt als tegengestelden in een dualistisch denken, spreekt Stärcke — zoals Spielrein — over een destructieve component gesitueerd in de libido, die hij op zijn beurt tegenover de zelfbehoudsdrift stelt. Hij houdt vast aan Freuds eerste dualisme van de zelfbehoudsdriften en de seksuele driften. Stärcke begrijpt de doodsdrift als inherent aan de wezenlijke creativiteit van de libido — en niet als diametraal tegengesteld aan de Eros. Seksualiteit impliceert, met andere woorden, bij Stärcke wezenlijk ook destructiviteit. Destructie staat niet los van de Eros. Stärcke zou zich hebben laten ontvallen: ‹Mijn bezwaar [tegen Freuds hypothese] gaat terug op een innerlijke observatie: liefhebben betekent willen sterven› (Stärcke 1922, p. 198; vert. JDV). Hij stelt eveneens: ‹Wat ik tegenspreek is dat men remming met doodsdrift wil gelijkschakelen. De dood is geen rust hoewel onze leer het wenst. De dood is louter het veranderen van gelijk gewende bewegingen van deeltjes in een wirwar; het is het einde van het massaverband van de deeltjes. Deze massa, deze gelijkheid wordt immers slechts door remming overtuigd en mogelijk gemaakt. Niet de dood, maar het leven is product van remming› (1922, p. 198; vert. JDV). Inzake de eerste zin zou Freud zich schuldig hebben gemaakt aan een ‹verlezing› (Freud 1901, p. 156). Hij antwoordde namelijk aan Stärcke ‹[…] de vergelijking leven = wensen om te sterven is misschien de uitdrukking van een subjectieve levensoriëntatie die ik jammer voor je vind› (in: Spanjaard 1966, p. 330; vert. JDV). Wanneer Freud zich later voor deze ‹verlezing› verontschuldigt, houdt hij vol dat de tegenstelling tussen de levens- en de doodsdrift zich innerlijk aan hem opdringt — een hypothese die later ook zou worden onderschreven door Stärckes Nederlandse collega Westerman Holstijn (1891-1980). Hoewel Stärcke, net als Westerman Holstijn, klinisch is geïnformeerd door de psychose, blijft hij echter wel insisteren op het samenvallen van de doodsdrift met de libido.

Otto Rank (1884-1939)

Naast Stärcke verwijst Freud in de fameuze voetnoot ook nog naar Otto Rank, meer bepaald naar diens vroege werk Der Künstler (1907). Rank concipieerde dit werk na lectuur van Freuds De droomduiding (1900). Ranks vertrouwdheid met onder meer Schopenhauer, Nietzsche en Darwin, evenals met Otto Weiningers Geschlecht und Charakter (1903), deden hem al gauw aansluiting vinden bij Freuds denken. Freud nam Rank dan ook meteen onder de vleugels en beschouwde hem als een van zijn meest begaafde Weense discipelen. Zo zou Freud Rank vermelden als coauteur inzake het thema van dromen in mythen en legenden bij de verschillende edities (editie 4-7; 1914-1922) van De droomduiding (1900). Freuds verwijzing naar Der Künstler kan op het eerste gezicht eigenaardig lijken. Ranks werk over de psychologie van de artistieke schepping staat immers vooral bekend als inspiratiebron voor Freuds Een jeugdherinnering van Leonardo da Vinci (1910). Freud doelt echter wellicht op een minder geciteerde passage uit Ranks boek aangaande de menselijke wreedheid en haar relatie tot de seksualiteit. Inzake de continuïteit tussen wreedheid en sadisme als een inherent aspect van de seksualiteit volgt Rank in grote lijnen Freuds Drie verhandelingen over de theorie van de seksualiteit (1905). Toch is er eveneens een ‘afwijkende’ passage waarin Rank de suggestie doet van een niet-seksuele agressiviteit en waarbij hij autonomie verleent aan een zeer specifieke drift. Rank verwijst naar de zelfmoord en maakt melding van een ‹«drift» tot zelfdestructie, de tegenpool van alle driften die in dienst staan van de instandhouding van het leven› (Rank 1907, p. 31; vert. JDV).

Barbara Low (1877-1955)

De Britse analytica Barbara Low, stichtend lid van de British Psychoanalytical Society, krijgt van Freud eveneens — zij het niet in dezelfde voetnoot — een eervolle vermelding als inspiratiebron voor het aanvankelijk nog losjes met de doodsdrift geassocieerde ‹Nirwanaprincipe› (Freud 1920, p. 211). In Het masochisme als economisch probleem (1924, p. 20) herhaalt hij deze vermelding en verbindt hij het Nirwanaprincipe ook expliciet met de doodsdrift. Net als Freud is Low met het Nirwana-concept vertrouwd via het door Schopenhauer in het Westen geïntroduceerde boeddhistische denken. Het is opmerkelijk om te zien dat Low in haar Psycho-Analysis (1920) tot de formulering van ‹haar› Nirwanaprincipe komt via de constatering dat het lustprincipe soms naar lust streeft via een extreme ophoping van spanning. Ze verduidelijkt: ‹Hier manifesteert het lustprincipe zich via de methode van zelfpijniging, en vanuit deze bron komt de latere ontwikkeling van sadistische en masochistische impulsen› (Low 1920, p. 73; vert. JDV). Dit noopt haar tot de hypothese dat ‹dieper› (deeper) dan het lustprincipe het Nirwanaprincipe ligt. Low definieert dit principe merkwaardig genoeg als ‹het verlangen van het pasgeboren wezen om terug te keren naar dat stadium van almacht waarin er geen onvervulde verlangens zijn en waarin het verkeerde in de baarmoeder van de moeder› (p. 73; vert. JDV). Freud verleent Lows principe dus eigenlijk een andere betekenis. Hij koppelt Lows Nirwanaprincipe aan de doodsdrift en verbindt het met de (ultieme) spanningsreductie (Freud 1920, p. 211), die hij in zijn eerste teksten nog aanduidde als het ‹constantieprincipe›. Als dusdanig benadrukt Freud de in het Nirwanaprincipe verdisconteerde tendens inzake de verknoping tussen lust, vernietiging en annihilatie.

Op het achterplan

Met Spielrein, Stärcke, Rank en Low articuleert Freud weliswaar slechts enkele bronnen die als katalysator fungeerden bij het smeden van ‹zijn› doodsdrift. Het lijdt echter geen twijfel dat hij de mosterd wellicht ook — en misschien zelfs voornamelijk — bij anderen haalde, die om onduidelijke redenen buiten beeld blijven. Onder meer in de Minutes of the Vienna Society, die ‹wellicht duidelijker dan zijn boeken en essays tonen hoe Freuds geest werkte›, vinden we daarvoor de nodige aanwijzingen (Nunberg & Federn 1962, p. xxix; vert. JDV). Zonder uitputtend te willen zijn, is het wellicht aangewezen bijkomend minstens de volgende auteurs mee in rekening te brengen: Wilhelm Stekel, Alfred Adler en Theodor Reik, evenals enkele (niet-psychoanalytische) auteurs uit de bredere laatromantische literaire en wetenschappelijke traditie. Ik overloop deze vindplaatsen in vogelvlucht.

Wilhelm Stekel (1868-1940)

Terwijl Freud net als Spielrein verwijst naar Otto Rank, vermeldt zij nog een andere bron die bij Freud opmerkelijk nadrukkelijk wordt stilgezwegen, namelijk Wilhelm Stekel (1868-1940). Met Stekel bevinden we ons opnieuw in de context van de vroege Woensdagavondgroep, die mede onder zijn impuls werd opgericht. Stekel stond erom bekend gefascineerd te zijn door het thema van de dood. Reeds in 1907 onderhoudt hij de groep over het in de dromen van een patiënte aanwezige thema van de ‹fusie van leven en dood› als ‹Eros en Thanatos in één persoon› (Nunberg & Federn 1962, p. 175). Stekel verklaart er de angstneurose vanuit ‹het samenspel van levens- en doodsdriften› (p. 177). Deze hypothese vormt de inzet van het pamflet Ursachen der Nervosität (1907) en de monografie Nervöse Angstzustände und ihre Behandlung (1908). Enkele jaren later herhaalt Stekel dat angst ‹de reactie [vormt] tegen de opkomst van de doodsdrift, veroorzaakt door een onderdrukking van de seksuele drift› (Nunberg & Federn 1967, p. 395). Spielrein verwijst echter concreet naar Stekels Die Sprache des Traumes (1911), waarin hij niet enkel een aantal hoofdstukken wijdt aan het thema van de dood, doodssymboliek en doodswensen, maar ook de menselijke agressiviteit en de moordlust in dromen aan de orde stelt (Stekel 1911, p. 317-399). Het is in ditzelfde werk dat Stekel wijst op het belang van ‹de vijandige opwellingen van de haat› en stelt dat hij tot ‹een nieuwe opvatting van het leven is gekomen die de haat als het primaire en als de basis van altruïstische gevoelens aanspreekt› (p. 536; vert. JDV)[3]. Freuds aversie jegens Stekel zou ertoe hebben geleid dat Freud zelf het in zijn publicaties nooit heeft over ‹Thanatos› (Roazen 1971, p. 231). Freud zwijgt Stekel dood. Stekel verklaart later: ‹Freud nam later enkele van mijn ontdekkingen over zonder mijn naam te vermelden. Zelfs het feit dat ik in mijn eerste editie [van Die Ursachen der Nervosität (1907)] angst heb gedefinieerd als de reactie van de levensdrift tegen de toename van de doodsdrift werd niet vermeld in zijn latere boeken, en vele mensen geloven dat de doodsdrift Freuds ontdekking is› (Stekel 1950, p. 138; vert. JDV).

Alfred Adler (1870-1937)

In Stekels Die Sprache des Traumes wordt meermaals gealludeerd op Alfred Adler. Adler is op dat moment in volle voorbereiding van zijn Der Aggressionstrieb im Leben und in der Neurose (1908). Reeds tijdens een preliminaire presentatie voor de Weense Psychoanalytische Vereniging laat Freud zich minachtend uit over de gedachte aan een autonome ‹agressiedrift› en stelt dat Adler het eigenlijk heeft over de libido (Nunberg & Federn 1962, p. 408). Adlers verdere uitwerking van de agressiedrift zal leiden tot een breuk met Freud en tot de ontwikkeling van de zogenaamde ‹individuele psychologie›. Ondanks het feit dat de thematiek van de agressiviteit veel omvangrijker is dan die van de doodsdrift, lijkt de agressiviteit wel het toepassingsgebied bij uitstek van de doodsdrift, zo blijkt uit Freuds werk vanaf 1920 (De Vleminck 2013). Bovendien geeft Freud in de eerste editie van Aan gene zijde van het lustprincipe (1920) nog te kennen dat hij de zogenaamde ‹driftvermenging› (Triebmischung) en ‹driftontmenging› (Triebentmischung) van de doodsdrift en de Eros ontleent aan Adlers Der Aggressionstrieb (Freud 1920, p. 208 noot 81). Het is dan ook een understatement te stellen dat de lotgevallen van de doodsdrift tot in Freuds laatste geschriften blijven verwijzen naar de hoogoplopende discussie met Adler die uiteindelijk resulteerde in een definitieve breuk tussen hen beide (Handlbauer 1998).

Theodor Reik (1888-1969)

Op hetzelfde moment als Spielrein blijkt ook Theodor Reik, een andere Weense discipel van Freud, gefascineerd door de thematiek van de doodsdrift. Spielrein was getuige van Reiks inaugurale lezing Over dood en seksualiteit voor de Weense Psychoanalytische Vereniging (Nunberg & Federn 1974, p. 310-313). Reik verwijst zelf naar Otto Weiningers Geschlecht und Charakter (1903) en Hermann Swoboda’s Die perioden des menschlichen Organismus in ihrer psychologischen und biologischen Bedeutung (1904) voor de koppeling tussen seksualiteit en dood bij de coïtus. Hij stelt: ‹Op deze manier is de ring gesloten, de ring die is gevormd door ontstaan en vergaan, door Eros en Thanatos› (Nunberg & Federn 1974, p. 312). In zijn Flaubert und seine ‹Versuchung des heiligen Antonius› luidt het onder meer: ‹[D]ood en wellust. Slechts deze twee heersers regeren het leven. Het ene is onlosmakelijk met het andere verbonden. (Duet van wellust en dood). […] Zie, daar lonkt de lust voor jou en reeds wacht jou de dood› (Reik 1912, p. 182-183; vert. JDV). Ook Reik toont zich met de belangstelling voor dit thema een kind van zijn tijd en zal later naam verwerven door zijn interesse in het masochisme (Reik 1941).

De laatromantische traditie

Freuds Aan gene zijde van het lustprincipe reveleert zich als een relikwie van een laatromantische traditie, waarbij de psychoanalytische, literaire en wetenschappelijke inspiratiebronnen in elkaar overvloeien. De idee van een doodsdrift werd door de romantische traditie sterk gecultiveerd. Het motief van de verstrengeling van liefde en dood openbaart zich echter van de homerische Hymne aan Demeter tot onder meer in Richard Wagners Tristan en Isolde (1865). Dit oeroude thema treedt in de Romantiek uitvergroot op de voorgrond. Zo toont Freuds en Spielreins Germaanse held Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) de paradox van ‹eenheid in tweeheid› van Eros en Thanatos in de Liebestod (Dye 2004, passim). De literaire topos van de Liebestod werkt door in de brede romantische ideeëngeschiedenis als exemplarisch voor het oermotief van de coincidentia oppositorum dat teruggaat tot Heraclitus van Ephesus. In het negentiende-eeuwse, laatromantische Decadentisme bereikt vooral de nachtzijde van de romantische erotisch-morbide obsessie een ongeziene intensiteit (Praz 1930). Er is een extreme preoccupatie met de seksualiteit en haar demonische ontsporingen. Ook de toenmalige wetenschap was door die ideeën beïnvloed, zoals we onder meer merken in de verschillende edities van Richard von Krafft-Ebings ‹bijbel van de psychopathologie›, de Psychopathia sexualis (1886). Spielrein verwijst zelf voor haar schatplichtigheid inzake de doodsdrift naar de Nobelprijswinnaar Ilya Ilyich Metchnikoff, de founding father van de immunologie (Nunberg & Federn 1974, p. 329). Metchnikoff gaat uit van ‹een doodsdrift› die ‹in een of andere potentiële vorm diep in de constitutie van de mens ligt verankerd› (Metchnikoff 1903, p. 283; vert. JDV). Voor het levenseinde dat ‹na de manifestatie van de doodsdrift verschijnt als het ultieme doel van het leven› verwijst Metchnikoff naar ‹de pessimistische school› van Arthur Schopenhauer en poète maudit Charles Baudelaire (Metchnikoff 1903, p. 88; vert. JDV).

Als ‹cryptobioloog› was Freud vertrouwd met de toenmalige traditie van de darwiniaanse evolutiebiologie (Sulloway 1979, p. 393-415), evenals met de Russische ideeëngeschiedenis (Rice 1993). Ook in de Russische filosofie — men denke aan de oeuvres van Vyatcheslav Ivanovich Ivanov en Vladimir Solovjov — treffen we sporen van een thematische affiniteit met Freuds opvattingen over leven, Eros en dood. Zo schrijft Solovjov: ‹De god van het leven en de god van de dood zijn één en dezelfde god. Dat is een waarheid, die voor de wereld van natuurlijke organismen onbetwistbaar is. De overvloed aan levenskrachten in het individuele wezen is niet zijn eigen leven, maar vreemd leven, het leven van de soort, die onverschillig en meedogenloos tegenover het individuele wezen staat. Daarom betekent dit leven van de soort voor het individuele wezen de dood› (1898, p. 81). Het thema van de (zelf)destructie en het concept van de doodsdrift zijn ook aanwezig in het werk van de Russische psychiater Ardalion Tokarski, waarin de dood wordt voorgesteld als een integratief bestanddeel van het leven (Ellenberger 1970, p. 261). Opnieuw vormt de romantische, schellingiaanse filosofie, die wordt gekenmerkt door een dynamisch dualisme van tegengestelden, de achtergrond. Bij Gotthilf Heinrich von Schubert valt de Sehnsucht naar liefde samen met de Todessehnsucht die terug wil naar haar Natuur en tegelijk gericht is op de toekomst (Ellenberger 1970, p. 205). Von Schubert spreekt over een doodswens op het einde van het leven en Novalis vermeldt een drift tot zelfdestructie (Ellenberger 1970, p. 514). Sommigen menen dat Freud de doodsdrift ontleende aan Friedrich von Schiller (Eissler 1965, p. 156). Anderen wijzen dan weer op de inspiratie door Arthur Schopenhauer, leermeester van Richard Wagner en Friedrich Nietzsche, die op hun beurt eveneens door Spielrein als inspiratiebronnen worden geciteerd (Zentner 1995). Freud zelf doet er alles aan om zijn schatplichtigheid aan deze denkers te ontkennen of te minimaliseren. Als bewonderaar van de klassieke oudheid beroept hij zich liever op de antieken, maar hij verschuilt zich achter een mogelijke ‹cryptomnesie› van zijnentwege (1937, p. 297). Terwijl Spielrein zich nog liet inspireren door de presocraat Anaxagoras van Clazomenae (Spielrein 1912, p. 155), verwijst Freud naar Anaxagoras’ tijdgenoot Empedocles van Acragas (1937, p. 297-299; 1940, p. 451). De doodsdrift is, met andere woorden, het kind van vele vaders en moeders.

De vraag naar de context

Op het moment dat Freud ‹zijn› concept van de doodsdrift de psychoanalytische canon binnenloodst, is het begrip duidelijk semantisch gecontamineerd. Als gestold sediment van een rijk verleden evoceert de doodsdrift bovenal een laatromantisch ideeën-historisch kader. Dit laatste is evenwel niet enkel verworteld in de antieke wijsbegeerte, maar heeft eveneens oosterse vertakkingen in het boeddhisme. De sterk uiteenlopende betekenisafzettingen worden ook geëvoceerd in Freuds Aan gene zijde van het lustprincipe zelf. De compositie van de tekst herbergt een onoverzichtelijk kluwen van op het eerste gezicht associatief met elkaar in verband gebrachte thema’s. De laatromantische invloeden gaan er hand in hand met een mechanistische taal die conform is aan het toenmalige wetenschapsideaal. De tekst articuleert het spanningsveld tussen de grondstromen van het laatromantische denken en het darwiniaans geïnspireerde vooruitgangsdenken die Freuds oeuvre synchroon doortrekken: chaos en beheersing als twee facetten van een krachtenspel waarvan de mens als waanzinnig én geniaal dier het knooppunt vormt. Het op het eerste zicht anachronistische effect van Freuds tekst in de context van zijn gehele oeuvre doet dan ook al veel minder unheimlich aan wanneer men de tekst terugkoppelt naar het veelzijdige corpus aan teksten waarin de doodsdrift wordt vermeld, zoals onder meer in het door Spielrein geciteerde werk van Metchnikoff. Met andere woorden: zowel qua karakter als qua stijl spoort Aan gene zijde van het lustprincipe met de oorspronkelijke gebruikscontexten van het concept dat Freud er ‹introduceert›. Deze opmerking dient mee in rekening te worden genomen bij de interpretatie van de tekst. Alleen al in dit opzicht is Freuds doodsdrift allerminst de steriele deus ex machina die men er meestal van maakt.

Een kleine genealogische schets van het doodsdriftconcept maakt duidelijk dat het zijn oorsprong kent in zeer uiteenlopende (klinische) (onderzoeks)contexten. Zo werd de doodsdrift bij Spielrein en Stärcke bepaald door de klinische context van de schizofrenie en de psychose, en onder meer bij Rank en Stekel door de kliniek van de (angst)hysterie. Deze zeer diverse klinische contexten geven elk een eigen lading en betekenis aan het concept. Op het moment dat Freud het concept aanwendt, is er dus reeds sprake van een heuse ‹werkingsgeschiedenis›. Bovendien kunnen we uit de zonet beschreven feiten afleiden dat, wanneer Freud de doodsdrift introduceert, dit — net als bij zijn voorgangers — gebeurt vanuit een bepaalde interesse en tegen de achtergrond van een specifieke onderzoeksvraag. Noodzakelijkerwijs moet dus ook bij Freud worden gepeild naar de specifieke onderzoekscontext die de aanleiding vormde voor de introductie van ‹zijn› doodsdrift. Dit betekent dat we de klinische onderzoeksruimte moeten trachten te reconstrueren waarbinnen de doodsdrift zich aan Freud als het ware conceptueel heeft opgedrongen. Ik wil argumenteren dat Freuds metapsychologische concept structureel is verknoopt met een concreet klinisch onderzoeksveld. Om Freuds doodsdrift te kunnen begrijpen, moeten we dan ook minstens volgende vragen stellen: welke klinische fenomenen brengen Freud ertoe om de doodsdrift te introduceren? En, waar wil Freud met zijn doodsdriftconcept precies de vinger op leggen? Een adequaat onderzoek naar de doodsdrift kan niet contextloos gebeuren, zoals dit doorgaans het geval is.[4] De sleutel voor een beter begrip van de doodsdrift ligt mijns inziens in het in acht nemen van de klinische onderzoekscontext die Freud vanaf Rouw en melancholie (1916-17) mateloos fascineerde, namelijk de melancholie.

Freuds metapsychologische matrix: de melancholie

Zelfs na veelvuldige lectuur blijft Freuds Aan gene zijde van het lustprincipe een bizar gecomponeerde en hermetische tekst. Men kan het de lezer dan ook amper kwalijk nemen dat deze al snel verleid wordt om zich vast te klampen aan de befaamde, appellerende voorbeelden relatief in het begin van de tekst. Het betreft fenomenen die ook de meeste Freudcommentatoren maar al te graag herkauwen, met name het droomleven bij ‘traumatische neurose’, ‘het kinderspel’ en ‘de herhalingsdwang’ (p.170-181). Deze voorbeelden zijn uiterst relevant voor Freuds betoog, maar dreigen tezelfdertijd de lezer al te snel de illusie te verschaffen de eigenlijke opzet van Freuds tekst te hebben doorgrond. Wat Freud met zijn Jenseits en met de doodsdrift op het oog heeft, wordt niet restloos door deze voorbeelden geëvoceerd. Indien men erin slaagt zich een weg te banen door Freuds meanderende gedachtegangen – met uitstapjes naar onder meer de filosofie, de biologie en natuurkunde – stelt men immers vast dat hij de doodsdrift in het laatste deel van de tekst eveneens in verband brengt met het thema van de agressiviteit, meer concreet met het sadisme en de haat. Net op deze plaats bekent Freud inzake de doodsdrift in een voetnoot zijn schatplichtigheid aan Sabina Spielrein, August Stärcke, Otto Rank en Barbara Low (p. 210-211). In alle op Aan gene zijde van het lustprincipe volgende teksten zal Freud ertoe neigen om de doodsdrift exclusief met agressiviteit in verband te brengen. Zonder het belang van de eerder vermelde voorbeelden te miskennen, wil ik deze fenomenen herinterpreteren op grond van de door Freud systematisch verder benadrukte problematiek van de agressiviteit (De Vleminck 2013) in plaats van omgekeerd – zoals dat in het beste geval geldt.[5]

Het is verleidelijk om – net zoals Freud zich aanvankelijk voornam – de manifestatie van de doodsdrift te willen aantonen in de agressiviteit zoals die zich extern manifesteert, met name in het sadisme of de haat. Ondanks het feit dat Freud deze laatste fenomenen in verband brengt met een geëxternaliseerde doodsdrift, betreft het bij zowel het sadisme als de haat uiteindelijk expressies die steeds een ‘driftmenging’ met de Eros veronderstellen. Ondanks het feit dat de mate van deze ‘menging’ of ‘legering’ van Eros en doodsdrift in de tijd kan variëren en zelfs een hoge mate van ‘ontmenging’ kan kennen, impliceren sadisme en haat voor Freud steeds seksuele agressie. Een eenvormige interpretatie van het sadisme en de haat in termen van doodsdrift verduistert de eigenheid van deze klinische fenomenen dan ook dermate dat ze geen enkele toegevoegde waarde meer biedt voor de verheldering ervan. Welke soort van agressiviteit kan er volgens Freuds dan mogelijk wel baat bij hebben om haar aan de hand van het doodsdriftconcept te begrijpen?

Een mogelijke indicatie voor een antwoord op deze vraag, treffen we aan in Het Ik en het Es (1923). Deze tekst is alom bekend vanwege Freuds introductie van de tweede topiek. De articulatie van de spanningsrelatie tussen het Boven-Ik en het Ik treft Freud in uitvergrote mate aan in de melancholie, die sinds Rouw en melancholie (1916-17) Freuds specifieke interesse wegdraagt. De melancholie krijgt van dan af bij Freud een centrale functie in zijn reflecties over de verhouding tussen ‘pathologie’ en ‘normaliteit’. Het ziektebeeld van de melancholie, inclusief de auto-agressiviteit die haar meest extreme expressie kent in de zelfmoord, vormt Freuds ankerpunt. Hij hanteert de melancholie vanaf dan als dominante metapsychologische onderzoeksmatrix. Deze lost vanaf 1915 respectievelijk de hysterie en de dwangneurose af als prototype voor het spreken over de pathologie als dusdanig. In tegenstelling tot bij onder meer Melanie Klein en Jacques Lacan vormt niet de paranoia, maar de melancholie voor Freud het prototype van de narcistische psychoneurosen (1924, p.16). Hij beperkt zich daarbij bovendien tot de ‘psychogene’ melancholie (1916-17, p.133). Freud onderscheidt zich van zijn voorgangers onder meer door de expliciete nadruk die hij legt op de melancholische zelfverwijten, en meer bepaald het extreme karakter ervan.

Auto-agressie, inclusief zelfmoordneigingen, maakt weliswaar eveneens deel uit van de dwangneurose, maar niet in een dermate excessieve vorm als bij de melancholie, aldus Freud. De doodsdrift, waarvan de contouren zich beginnen aftekenen samen met de kristallisatie van de tweede topiek, reveleert zich volgens Freud in zijn meest zuivere vorm in de melancholie. In Freuds beschrijving van de melancholie schemert een fascinatie door voor het excessieve, disproportionele en meedogenloze karakter van de driftontlading. De doodsdrift manifesteert er zich in de auto-agressie van het Boven-Ik jegens het Ik als een niet naar het leven omziende kracht. Dit gegeven reveleert zich op een uitvergrote manier in de mogelijkheid van de zelfmoord, zoals Freud die bespreekt in het kader van de melancholische dispositie. Maar het probleem van de zelfmoord, dat door de melancholie scherper in het vizier komt, is in principe een algemeen-menselijke mogelijkheid[6], zo blijkt onder meer uit Massapsychologie en Ik-analyse (1921) en Het Ik en het Es (1923). In Het Ik en het Es komen de melancholische splitsing in het Ik, die leidt tot de articulatie van de spanning tussen het Boven-Ik en het Ik, en de doodsdrift samen wanneer Freud zijn bekende confessie doet: “[W]at in het Boven-Ik de boventoon voert, is een reincultuur van de doodsdrift” (1923, p. 415). Wat Freud zo “raadselachtig” vindt aan het probleem van de zelfmoord heeft in essentie te maken met de bevreemdende gedachte dat de mens de mogelijkheid van zijn autodestructie in zich draagt en dat de drift tot zelfbehoud kan worden verschalkt, en het onderspit moet delven. In de melancholie toont zich uitvergroot hoe het Boven-Ik “de vergaarbak van de doodsdriften kan worden” (1923, p. 416). Opnieuw toont zich hier de mogelijkheid van een niet-doelmatige ontsporing, radicalisering en excessiviteit van het driftmatige die inherent verankerd ligt in de constitutie van het Ik. De klinische voorbeelden die Freud bespreekt zijn het meedogenloze knagen van het schuldgevoel, het ‘morele masochisme’ – waarbij men zichzelf, als het ware achter zijn rug om, voortdurend in problemen brengt – en de ‘negatieve therapeutische reactie’ – waarbij er zich in de patiënt iets vastklampt aan de ziekte en zich aldus tegen elke genezing verzet. Telkens opnieuw stoot Freud op een onverzettelijke driftmatigheid die zich, ondanks een schijnbaar onvermijdelijke driftvermenging met de Eros, keert tegen elke creativiteit en zich doorzet aan gene zijde van lust en onlust.

‘Doodse’ driftmatigheid: tussen blinde razernij en persisterende inertie

De vraag die zich opnieuw opdringt, is: wat is dan precies datgene waarop de doodsdrift de vinger legt en dat zich op geen enkele andere wijze laat articuleren? Laat ons hiervoor kijken naar de specificiteit van het driftmatige karakter dat Freud met het concept van de doodsdrift beoogt. Naast het feit dat de doodsdrift die zich articuleert in de auto-agressie steeds een zekere mate van seksualisering impliceert, is Freud vooral gebiologeerd door de doodsdrift als een monotone, niet-functionele en persisterende driftexpressie. Deze laatste staat in schril contrast met de plasticiteit en creativiteit van de Eros, via welke de doodsdrift zich noodgedwongen in een zekere mate van driftvermenging kan uitdrukken. Het is opmerkelijk dat Freud, in een poging om een glimp op te vangen van een ontmengde doodsdrift, meermaals verwijst naar het ziektebeeld van de epilepsie. Zo stelt hij in Het Ik en het Es dat de “epileptische aanval een product en aanwijzing van driftontmenging is” (1923, p. 405). Binnen de onderzoeksmatrix van de melancholie fungeert de epilepsie bij Freud als referentiepunt om het specifieke driftmatige karakter van de doodsdrift te evoceren.

Recentere neurowetenschappelijke inzichten betreffende het ziektebeeld van de epilepsie maken het verleidelijk om dit ‘spoor’ te veronachtzamen. Mijns inziens kan het belang van Freuds schijnbaar terloopse verwijzing naar de epilepsie dan ook niet worden onderschat. Freuds verwijzing naar de epilepsie is niet enkel om louter historische redenen relevant. Net als bij de melancholie gaat de psychiatrische interesse in de epilepsie immers terug tot de hippocratische humorenleer (Temkin 1994) en zal onder meer ook Sándor Ferenczi de epilepsie in verband brengen met de doodsdrift (Ferenczi 1926, 1929). Zoals onmiddellijk duidelijk wordt, heeft het insisteren op Freuds interesse in het ziektebeeld van de epilepsie echter als bijkomend voordeel dat ze op uitgelezen wijze het driftmatige karakter dat hij met de doodsdrift wil aanduiden aanschouwelijk maakt.

Ten tijde van het creatieproces van Aan gene zijde van het lustprincipe (1920), publiceert Freud zijn studie Het ‘Unheimliche’ (1919). Hij brengt er het unheimliche in verband met de “demonische”, “oppermachtige”, “innerlijke herhalingsdwang” die hij in Aan gene zijde van het lustprincipe met de doodsdrift lieert (1919, p. 111). Eerder dan een cyclisch zich herhalen van telkens hetzelfde moeten we de herhaling begrijpen als het persisteren van een kracht die zichzelf in telkens variabele omstandigheden blijft doorzetten. Het is immers de Eros, waarin de doodsdrift zich doorzet, die plasticiteit verleent aan de monotonie van de doodsdrift. Het zich doorzetten van de doodsdrift heeft het karakter – niet van het zich herhalen van een restloos ‘telkens opnieuw identiek hetzelfde’ –, maar van een ‘steeds meer van hetzelfde’ door de variabele omstandigheden telkens verrassend-anders ingekleed. Dit strookt precies met hoe Freud het unheimliche karakteriseert, namelijk als de mix van “het angstaanjagende” en “het vanouds bekende” (1919, p. 93). Freud zelf verwijst in deze naar “de twijfel of een ogenschijnlijk levend wezen onbezield is en, omgekeerd, of een levenloos voorwerp misschien toch niet bezield is” (1919, p. 100). Hij geeft het voorbeeld van wassen beelden, poppen en automaten die aanleiding geven tot het vertwijfelende vermoeden dat achter bezielde wezens mechanische processen schuilgaan. Het is dit automatische of mechanische ‘aan gene zijde’ van het driftleven dat hem aangrijpt in de epilepsie. Het karakter van het automaton brengt hem blijkbaar opnieuw bij het epileptische insult als het prototypische voorbeeld van de driftontmenging waar zich iets toont van de doodsdrift (1919, p. 100). Tezelfdertijd associeert hij de epilepsie in Het ‘Unheimliche’ (1919) ook expliciet met onvermoede, demonische, kwade krachten die zich automatisch en spontaan ontladen (1919, pp. 115-116). Een bekend voorbeeld daarvan ontwaart Freud bij Fjodor Dostojevski, met name in de beschrijving van diens “levensgevaarlijke status epilepticus”. Freud stelt dat achter deze unheimliche epileptische driftafvoer “de identiteit van het fundamentele mechanisme van de driftafvoer schuilgaat” (1928, p. 436). Een dergelijke ondoelmatige driftontlading vertoont sterke gelijkenissen met de plotse razernij van de woedeaanval, waarbij men ‘buiten zichzelf’ is van woede. De woede releveert een eigen interne dynamiek en herbergt een paroxysmale, vernietigende, blinde kracht die niets of niemand – inclusief zichzelf – dreigt te ontzien. Hierbij kan verwezen worden naar het voorbeeld van trichotillomanie, waarbij iemand zich tijdens een woedeaanval het haar uittrekt (1940, p. 452).

Ondanks het feit dat Freud voornamelijk de focus legt op het epileptische insult, incarneert de referentie naar de epilepsie ook een ander facet, dat eveneens aansluit bij Freuds beschrijving van het karakter van de doodsdrift. De zogenaamde “interictale periode”, de periode tussen de aanvallen, kenmerkt zich namelijk niet alleen door de mogelijkheid van verhoogde agitatie, maar ook door een potentiële “viscositeit” (Blumer 1984, p. 37). Deze viscositeit heeft met de epileptische agressie het mechanisch-automatische, monotone karakter gemeen. De doodsdrift toont hier echter een andere gedaante, waarbij ze eveneens rigoureus persisteert als een driftmatige kracht. Er is sprake van een psychische inertie die ons confronteert met de doodsdrift als een weerbarstige, tegen de creativiteit en het leven gerichte kracht. Dit weerbarstige, onverzettelijke aspect van de doodsdrift toont zich ook in de negatieve therapeutische reactie, wanneer de patiënt zich verzet tegen het opgeven van de ziekte. Freud verbindt dit gegeven echter met een algemene karaktereigenschap van de neurosen en stelt dat de manifestaties van de doodsdrift “onder de gevolgen van menige ernstige neurose […] een aparte bespreking verdienen” (1923, p.405). Volgens Freud komt “de macht van de herhalingsdwang” (1926, p. 257) tot uiting in een fenomeen dat hij aanduidt als ‘fixatie’ of “de eigenschap van de verhoogde kleefkracht” in het driftmatige (1905, p. 115). Freud spreekt over een “eigenaardige psychische traagheid, die zich tegen verandering en vooruitgang verzet” (1915, p.180). Hij vergelijkt deze psychische traagheid met “een niet verder deelbaar priemgetal” en brengt haar in verband “met een soort entropie” (1918, p. 576-577). De confrontatie met deze psychische inertie leidt Freud tot de explicitering van zijn therapeutisch pessimisme in De eindige en de oneindige analyse (1937). Hij verwijst onder meer naar klinische “gevallen […] [waarbij] [men] wordt verrast door een gedrag dat men alleen maar in verband kan brengen met een uitputting van de normaliter te verwachten plasticiteit, het vermogen tot variatie en verdere ontwikkeling” (1937, p. 294). In deze gevallen drukt zich volgens Freud een “psychische traagheid” uit “waarbij elk verloop, elke relatie en elke verdeling van krachten onveranderlijk, gefixeerd en verstard” blijkt (1937, p. 294). Freud beschrijft het karakter van de psychische traagheid en verstarring als volgt: “Het is zoals bij zeer oude mensen en is te verklaren uit de zogeheten macht der gewoonte, de uitputting van het opnemingsvermogen, een soort psychische entropie; maar het betreft hier nog jeugdige individuen” (1937, p. 294). Hij voegt eraan toe: “Onze theoretische voorbereiding lijkt ontoereikend om de beschreven typen correct te begrijpen; wellicht spelen temporele kenmerken een rol, variaties van een nog niet naar waarde geschat ontwikkelingsritme in het psychische leven” (1937, p. 294). De ‘variaties’ en het ‘ritme’ waarover Freud spreekt, zijn dan mijns inziens afhankelijk van de gradaties van driftmenging en driftontmenging. De herhalingsdwang van de doodsdrift, die zich articuleert in relatie tot de Eros, drukt zijn monotone, automatische en unheimliche karakter door naarmate de doodsdrift in een ontmengde, excessieve vorm tot ontlading komt. Ook deze tweede gedaante toont zich klinisch in de melancholische neerslachtigheid, die de zwaarte van het leven (en in het leven) uitdrukt, als een dood gewicht dat weerstand biedt tegen opneming in de stroom van het leven of dat zich inslijt als een weerbarstige gewoonte.

De context van de melancholie geeft ons zo een ander zicht op de betekenis van het concept waarvan men wellicht terecht kan stellen dat het niet Freuds meest gelukkig gekozen term is. De expliciete verwijzing naar een schopenhaueriaanse metafysica wekt ten onrechte de indruk dat de doodsdrift in essentie een doodsverlangen zou articuleren (1920, p. 205). Het is ontegensprekelijk zo dat Freud verschillende malen de indruk geeft een teleologische invulling van het concept te huldigen: de doodsdrift als gericht op de dood als einddoel. Deze invulling resoneert zonder twijfel de laatromantische sedimentaties van de term, zoals we die onder meer terugvinden bij de Russische immunoloog Elie Metchnikoff. Deze laatromantische sirenen verhinderen Freud wellicht om de doodsdrift eenduidig te articuleren als een ‘doodse’ drift in de betekenis die we hierboven hebben besproken: een automatisch-mechanische, monotone en niet-doelmatige drift, een kracht die weerstand biedt tegen legering met het leven, en die in het extreme geval de dood niet als doel, maar als effect heeft, zoals het raadsel van de zelfmoord Freud duidelijk maakt. Hierbij wordt aanschouwelijk dat de doodsdrift, eerder dan een doodsverlangen, een inert en ‘doods verlangen’ incarneert. Ik tracht dit laatste te evoceren aan de hand van een kort klinisch vignet.[7]

Klinisch vignet

Wouter is een man van eind veertig, die verblijft op een afdeling voor persoonlijkheidsmoeilijkheden. Hij klampt zich sterk vast aan zijn beroepsfunctie en de machtspositie die deze in zijn beleving incarneert. Deze machtsthematiek ontplooit zich ook op de afdeling, waar hij mensen en situaties naar zijn hand zet. Wouter spreekt minachtend over (vrouwelijke) artsen, groepstherapeuten en medepatiënten en probeert op allerlei manieren een speciale status te krijgen op de afdeling. Een individuele therapie, waarin hij dingen kan brengen “die de groep niet begrijpt”, is slechts één verwezenlijking van zijn manipulatieve gedrag. Wouter is ook in deze bevochten individuele therapie onmiddellijk erg eisend, onder meer wat betreft de frequentie en de duur van de sessies. Hij probeert een alliantie aan te gaan met de mannelijke therapeut tegen de vrouwelijke arts. Wouter spreekt idealiserend over de therapeut om hem echter terstond op de proef te stellen en te vernederen. In tegenstelling tot wat de vermaarde psychiater, die hij te pas en te onpas als visitekaartje aandraagt, beweert, is Wouter van oordeel dat hij niet depressief, maar manisch-depressief is.

Vanaf de eerste sessie poogt hij in de sessies een machtsspel uit te lokken dat in het verlengde ligt van zijn beleving van de werkelijkheid. De eerste sessies zijn gevuld met fantasieën die hij zelf aanduidt als “sadomasochistisch” en die hij terugvoert op zijn kindertijd. Wouter, de middelste van vijf kinderen, is de lieveling van zijn vader. Deze laatste ‘prijst’ Wouter voor zijn intelligentie door hem te bekritiseren en op onverwachte momenten en om onverklaarbare redenen met de broekriem te geven. Wouter beleeft zijn moeder als een timide femme fatale die vader schijnbaar minzaam laat begaan. Wouters latere, opeenvolgende relaties vormen telkens opnieuw een schijnbaar eindeloos uitgesponnen, masochistisch spel van vernederd (willen) worden. Ditzelfde unheimliche agressieve patroon herhaalt zich keer op keer, als het ware achter zijn rug om. Het is voor hem telkens opnieuw verrassend, maar achteraf zo herkenbaar: “Het is mijn karma”. Liefde is voor Wouter synoniem met negativiteit en destructie. Als hij zich alleen en verworpen voelt en er niemand is om hem te vernederen, overvalt hem eerst een diepe angst. Vervolgens overvalt hem in woede (“ik voel me als een vulkaan die plots tot uitbarsting komt”) de gedachte zichzelf de vernieling in te drinken. In die sociale context lokt hij bij anderen bovendien agressie uit die hij achteraf bij zichzelf niet kan (h)erkennen, maar die uitloopt in fysieke (en verbale) slagen en verwondingen waarbij hij zichzelf uitsluitend als slachtoffer kan percipiëren. Wouter is op dat moment als het ware ‘buiten zichzelf’. De situatie overkomt hem schijnbaar ondanks zichzelf. “Ik lok iets uit dat ik niet in de hand heb”. In zijn beleving hebben zowel buren, hiërarchische oversten als Justitie het op hem gemunt. Hij brengt zich met open ogen telkens opnieuw op dezelfde manier in de problemen. Tijdens zijn spreken ontspint zich een subtiel agressief geladen spel, waarbij een sadistisch-dreigende en een paranoïde-angstige blik elkaar afwisselen. De toegang tot de eigen gevoelswereld is geen volkomen onmogelijkheid, maar spreken over emoties impliceert een kwetsbaarheid die enkel kan worden getolereerd als ze onverwacht doorbreekt. In andere situaties blijven emoties verborgen achter een narcistisch schild dat hij angstvallig met woorden in stand houdt. In Wouters fantasie zijn moord en zelfmoord schering en inslag. Op tweeëntwintigjarige leeftijd heeft hij een zelfmoordpoging ondernomen en was daarvoor enige tijd in behandeling. Op het moment dat Wouter zich door omstandigheden niet kan verliezen in externe agressieve fenomenen, spreekt hij over een drukkende zwaarte die hij torst en een onbestemd schuldgevoel dat hem naar beneden duwt. Op het einde van zijn verblijf duiken nogmaals “stront en demonen” op. Er zijn uitspattingen van excessief drinken. Wouter raakt slaags in een café, waardoor hij opnieuw in aanraking komt met de politie. Door een aanstaand verblijf in een eigen huurappartement worstelt hij met de angst om alleen te zijn. Wouter lijkt wel te beantwoorden aan Freuds definitie van de ‘morele masochist’, die telkens opnieuw en zonder het zelf te beseffen het lot tart en zoekt naar externe bestraffing.

Op basis van de voorgaande beschrijving kan de indruk ontstaan dat Wouters problematiek een persoonlijkheidsproblematiek is waarbij een agressieve verhouding tot de omgeving de kern van zijn problemen vormt. Het externe – zowel door hemzelf als door het team als ‘sadistisch-masochistisch’ beschreven – agressieve ‘oppervlaktegedrag’, maskeert echter een melancholische kern. Deze breekt bij momenten door in een paroxismale driftmatigheid die tekeer gaat, onder meer in het plotse opwellen van een onmetelijk en onbestemd knagend schuldgevoel, zonder zich van Wouter iets aan te trekken. Hij ondergaat de situatie passief, hij is buiten zichzelf, en ervaart zich als slachtoffer. Het driftmatige karakter van de doodsdrift onthult zich bij de externe driftuitingen in het rigide patroon van het zich herhalen – ‘aan gene zijde’ van lust of onlust – van hetzelfde in steeds andere gedaantes (in de context van agressieve intersubjectieve relaties). Dezelfde extremiteit van de rigide en persisterende driftmatigheid die niet naar het subject omkijkt, is echter des te scherper te voelen in het machteloos ten prooi vallen aan de ondoorgrondelijke zwaarte die Wouter neerdrukt en intern dreigt te verpletteren. Met Freud concludeer ik dat de externe erupties van de doodsdrift wel iets van het specifiek driftmatige karakter prijsgeven, maar eigenlijk slechts secundaire vormgevingen zijn van een primair-interne, ontmengde destructiviteit. Deze interne destructiviteit, die verbonden is met de melancholische kern, resoneert in Wouters spreken, maar geeft zich slechts moeizaam prijs. De gesprekskamer baadt telkens opnieuw in een geladen sfeer. Ze vormt de veilige container waarin het explosieve materiaal tijdelijk kan worden ontmanteld, zo lijkt het.

Na zijn ontslag blijft Wouter zich vastklampen aan de aanvankelijk wekelijkse gesprekken, waarvoor hij zich op het werk in bochten wringt. In het begin lijkt de werkcontext hem opnieuw structuur en identiteit te verlenen, maar hij slaagt er – zonder dat hij er zelf erg in heeft -– al snel in om zich opnieuw in te laten met escalerende machtsspelletjes, om er vervolgens passief aan ten onder te gaan. Hij lijkt zelf de vijanden te creëren die hem kapotmaken, zonder dat hij het zelf in de gaten heeft. De escalatie leidt tot een degradatie die Wouters ondergang inluidt. Ondanks financiële moeilijkheden ontvlucht hij de “bekrompen” samenleving door het maken van lange reizen naar zuidelijke bestemmingen. Hij gaat op die manier de “zure” en “doodse” mensen (“zombies”) uit de weg en gaat tijdens die verre reizen vluchtige seksuele relaties aan met vrouwen met wie hij zich desalniettemin op veilige afstand verbonden blijft voelen. Op deze manier lijkt hij het leven te willen binnenbrengen. Zijn de tropische bestemmingen aanvankelijk een toevluchtoord om te ontsnappen aan zijn (zelf)destructieve gedrag op het thuisfront, dan wordt ook daar al snel de illusie doorgeprikt. Wouter raakt ook in het buitenland betrokken in juridische moeilijkheden, voelt zich verongelijkt en krijgt uiteindelijk een uitreisverbod. De zelfmoordgedachten duiken opnieuw op. Destructief gedrag is de regel. Uiteindelijk drijft hij zichzelf schijnbaar meedogenloos opnieuw richting afgrond. Wouter manoeuvreert zich in een schimmige situatie waarin hij om het leven komt en waar een waas van moord of zelfmoord omheen hangt.

De dramatische afloop van Wouters omzwervingen confronteert het thuisfront met onmacht en schuldgevoelens. Tegelijk doemt het beeld op van een fatalistisch universum met Wouter in het midden als een tikkende tijdbom die hoogstens af en toe kon worden gereset. Wouter was driftig en ‘op drift’, maar een harde kern van driftmatigheid pleegde verzet tegen het leven als streven naar groei en rustige vastheid. Destructieve patronen leken zich genadeloos en in steeds wisselende contexten door te zetten. Wouter zelf leek er steeds van overtuigd dat hij zich ondanks zijn levenszuchtigheid en bourgondische levensstijl in de vernieling zou storten, daarover sprekend in termen van fataliteit en gelatenheid. Leven impliceerde het dragen van een koortsig persisterende, inerte last. Hieraan ten onder gaan, leek alleen nog een kwestie van tijd te zijn: uitstel van executie. Wouter waardeerde de hulpverleners en weinige vrienden omdat ze hem het gevoel gaven er voor hem te zijn. Ze bleven machteloos en konden enkel fungeren als een container voor de “stront en demonen”, als een temporele verlichting van een afgrondelijk diepe en fatale zwaarte.

Tot slot: de doodsdrift met het badwater?

Freuds raadselachtige concept van de doodsdrift blijft tot op vandaag controverse uitlokken en tot de verbeelding spreken. Een populaire psychoanalytische grondstroom pleit ervoor om de psychoanalytische theorie en praxis voor eens en voor altijd te zuiveren van hun lelijke eendje. Toch zijn er ook tegenstemmen, die ervoor waarschuwen het kind met het badwater weg te gooien en, integendeel, pleiten voor een herwaardering van de doodsdrift als een metapsychologisch en klinisch waardevol concept. De ideeënhistorische werkingsgeschiedenis maakte duidelijk dat Freud met de doodsdrift een semantisch gecontamineerd en oververzadigd concept heeft geïntroduceerd in de psychoanalytische metapsychologie. Wanneer Freud de doodsdrift adopteert doet hij dit zelf ook vanuit een specifiek onderzoeksperspectief, namelijk de onderzoeksmatrix van de melancholie. Mijn lectuur laat zien dat het mee in rekening brengen van deze matrix een meerwaarde biedt voor een vruchtbaar begrip van de doodsdrift. Zij onderscheidt zich daarbij van een klassieke Freudlectuur die ertoe neigt om de doodsdrift ongenuanceerd in dé freudiaanse grand unifying theory onder te brengen. Precies deze laatste aanpak is mijns inziens mee verantwoordelijk voor de vigerende presentatie van de doodsdrift als een lege en “enigmatische betekenaar” waar zowel metapsychologisch als klinisch niets mee valt aan te vangen (Lear 2001, p. 88).

Door de terugkoppeling naar Freuds specifieke onderzoeksmatrix kan de klopjacht op de doodsdrift worden getemperd (of misschien zelfs gestaakt worden). Niet enkel metapsychologisch, maar ook klinisch is de doodsdrift op deze manier (opnieuw) relevant te maken. Toch is het zeker waar dat de doodsdrift symptomatisch is voor de spanningsverhouding tussen de metapsychologie en de klinische praktijk die voortdurend bij Freud aanwezig is. De metapsycholoog ziet zich niet zelden geconfronteerd met een complex-weerbarstige klinische praktijk, rijk aan fenomenen die zich allerminst restloos laten recupereren in een stringent conceptueel apparaat. De doodsdrift toont zich nooit in zijn ‘naakte’ gedaante, blijft steeds een ideaal theoretisch construct, dat nooit volledig af te zonderen valt uit de voor het leven kenmerkende aanwezigheid van de Eros. Dit neemt niet weg dat de doodsdrift zich als een klinisch relevante intuïtie kan openbaren. Dit laatste gebeurt wanneer de clinicus in de praktijk wordt geconfronteerd met aspecten van driftmatigheid die rigide en monotoon zijn, en die weerbarstig verzet bieden aan het levensvermeerderende krachtenspel, en die elk perspectief op reductie van lijdensdruk bij de patiënt actief lijken te saboteren. Via een Freudlectuur die rekening houdt met de specificiteit van Freuds onderzoeksperspectief van de melancholie kan de doodsdrift opnieuw in het vizier komen als een metapsychologisch volwaardig concept dat teruggaat op klinisch relevante fenomenen. Op deze manier kan het door sommigen voor “dood” achtergelaten concept “nieuw leven” krijgen (Wheatherill 1999).

21 maart 2014

Literatuur

Adler, A. (1908). Der Aggressionstrieb im Leben und in der Neurose. Fortschritte der Medizin, 26, 577-584.

Blumer, D. (1984). ‘The psychiatric dimension of epilepsy: Historical perspective and current significance’. In: D. Blumer (ed.), Psychiatric aspects of epilepsy. Washington, DC: American Psychiatric Press, p. 1-65.

Bos, J., Groenendijk, L. (2007). The self-marginalization of Wilhelm Stekel — Freudian circles inside out. New York: Springer.

Bulhof, I.N. (1983). Freud en Nederland — De interpretatie en de invloed van zijn ideeën. Baarn: Ambo.

Derrida, J. (1980). Spéculer sur Freud. In J. Derrida, La carte postale — De Socrate à Freud et au-delà (p. 275-437). Parijs: Aubier-Flammarion.

De Vleminck, J. (2013). De schaduw van Kaïn — Freuds klinische antropologie van de agressiviteit. Leuven: Universitaire Pers Leuven.

Dye, E. (2004). Love and death in Goethe — ‹One and double›. New York: Camden House.

Eissler, K. (1965). Medical orthodoxy and the future ofpsychoanalysis. New York: International Universities Press.

Ellenberger, H. (1970). The discovery of the unconscious — The history and evolution of dynamic psychiatry. New York: Basic Books.

Federn, P. (1913). Sabina Spielrein. Die Destruktion als Ursache des Werdens. Internationale Zeitschrift für ärztliche Psychoanalyse, 1, 89-93.

Ferenczi, S. (1926). The Problem of Acceptance of Unpleasant Ideas: Advances in Knowledge of the Sense of Reality. In: S. Ferenczi (1952), Theory and Technique of Psychoanalysis. Ed. J. Rickman Transl. I.J. Suttie et al. New York: Basic Books, pp. 366-379.

Ferenczi, S. (1929). The Unwelcome Child and his Death Instinct. In: S. Ferenczi (1955). Final Contributions to the Problems and Methods of Psycho-Analysis. Ed. M. Balint Transl. E. Mosbacher. London: Hogarth, pp. 102-107.

Freud, S. (1900). De droomduiding. Werken 2, Amsterdam: Boom, 2006.

Freud, S. (1901). Psychopathologie van het dagelijks leven. Werken 3 (p. 64-310).

Freud, S. (1905). Drie verhandelingen over de theorie van de seksualiteit. Werken 4 (p. 9-105).

Freud, S. (1913). De dispositie tot dwangneurose (Een bijdrage aan het probleem van de neurosekeuze). Werken 6 (p. 246-254).

Freud, S. (1915). Driften en hun lotgevallen. Werken 7 (p. 23-44).

Freud, S. (1915). Verslag van een met de psychoanalytische theorie strijdig geval van paranoia. Werken 7. Amsterdam: Boom, pp. 169-180.

Freud, S. (1916-17 [1915]). Rouw en melancholie. Werken 7. Amsterdam: Boom, pp. 129-148.

Freud, S. (1918 [1914]). Uit de geschiedenis van een kinderneurose [‘De Wolvenman’]. Werken 6. Amsterdam: Boom, pp. 474-482.

Freud, S. (1919). Het ‘Unheimliche’. Werken 8. Amsterdam: Boom, pp. 90-125.

Freud, S. (1920). Aan gene zijde van het lustprincipe. Werken 8. Amsterdam: Boom, pp. 162-218.

Freud, S. (1921). Massapsychologie en Ik-analyse. Werken 8. Amsterdam: Boom, pp. 225-292.

Freud, S. (1923). Het Ik en het Es. Werken 8. Amsterdam: Boom, pp. 371-427.

Freud, S. (1924). Het masochisme als economisch probleem. Werken 9. Amsterdam: Boom, pp. 18-31.

Freud, S. (1925 [1924]). Zelfportret. Werken 9. Amsterdam: Boom, pp. 75-137.

Freud, S. (1926 [1925]). Remming, symptoom en angst. Werken 9. Amsterdam: Boom, pp. 186-271.

Freud, S. (1928 [1927]). Dostojevski en de vadermoord. Werken 9. Amsterdam: Boom, pp. 430-449.

Freud, S. (1930 [1929]). Het onbehagen in de cultuur. Werken 9. Amsterdam: Boom, pp. 456-532.

Freud, S. (1937). De eindige en de oneindige analyse. Werken 10 (p. 270-305).

Freud, S. (1940). Hoofdlijnen van de psychoanalyse. Werken 10 (p. 446-503).

Gadamer, H.G. (1975). Truth and method. (Vert. J. Weinsheimer & D.G. Marshall). Londen/New York: Continuum, 2006.

Green, A. (2007). Pourquoi les pulsions de destruction ou de mort? Parijs: Éditions du Panama.

Green, A. e.a. (1986). La pulsion de mort. Premier symposium de la Fédération Européenne de Psychanalyse (Marseille, 1984). Parijs: PUF.

Gross, O. (1914). Über Destruktionssymbolik. Zentralblatt für Psychoanalyse und Psychotherapie, 4, 525-534.

Handlbauer, B. (1998). The Freud-Adler controversy. (Vert. L. Cohen). Oxford: Oneworld.

Jung, C.G. (1912). Wandlungen und Symbole der Libido — Beiträge zur Entwicklungsgeschichte des Denkens. München: Deutscher Taschenbuch Verlag, 2001.

Kappelle, W. (1998). Apoptose, een biologische basis van de doodsdrift? Tijdschrift voor Psychoanalyse, 4, 170-176.

Krafft-Ebing, R. von (1886). Psychopathia sexualis. Stuttgart: Enke, 1901.

Laplanche, J. (1970). Vie et mort en psychanalyse. Parijs: PUF.

Lear, J. (2001). Happiness, death, and the remainder of life. Cambridge, MA: Harvard University Press.

Low, B. (1920). Psycho-Analysis: A brief account of the Freudian Theory. Londen: George Allen & Unwin.

Metchnikoff, E. (1903). The nature of man — Or studies in optimistic philosophy. (Red. en vert. P. Chalmers Mitchell). New York/Londen: Knickerbocker Press.

Metchnikoff, E. (1908). The prolongation of life — Optimistic studies. (Red. en vert. P. Chalmers Mitchell). New York/Londen: Knickerbocker Press.

Moyaert, P. (2013). De doodsdrift en het doodse aan het Ik: De claustrofobische metafysica van Freud. Tijdschrift voor Filosofie, 75, 487-523.

Nicolai, N. (2011). Overleeft de psychoanalyse zelfdestructie? Zelfdestructiviteit als manifestatie van de doodsdrift. Tijdschrift voor Psychoanalyse, 17, 3-16.

Nunberg, H., Federn, E. (red.) (1962). Minutes of the Vienna Psychoanalytic Society. Volume I: 1906-1908. New York: International Universities Press.

Nunberg, H., Federn, E. (red.) (1967). Minutes of the Vienna Psychoanalytic Society. Volume II: 1908-1910. (Vert. M. Nunberg). New York: International Universities Press.

Nunberg, H., Federn, E. (red.) (1974). Minutes of the Vienna Psychoanalytic Society. Volume III: 1910-1911. New York: International Universities Press.

Praz, M. (1930). Lust, dood en duivel in de literatuur van de Romantiek. (Vert. A. Haakman). Amsterdam: Agon, 1992.

Rank, O. (1907). Der Künstler — Ansätze zu einer Sexualpsychologie. Leipzig/Wenen: Hugo Heller.

Reik, Th. (1912). Flaubert und seine ‹Versuchung des heiligen Antonius› — Ein Beitrag zur Künstlerpsychologie. Minden: Bruns.

Reik, Th. (1941). Masochism in modern man. (Vert. M.H. Beigel & G.M. Kurth). New York: Grove Press, 1957.

Rice, J.L. (1993). Freud’s Russia — National identity in the evolution of psychoanalysis. New Brunswick NJ: Transaction Publishers.

Roazen, P. (1971). Freud and his ffollowers. Middlesex: Penguin, 1979.

Rodman, F.R. (red.) (1987). The spontaneous gesture — Selected letters of D.W. Winnicott. Cambridge MA: Harvard University Press.

Solovjov, V. (1898). Over liefde. (Vert. T. Jansen & P. Janse). Budel: Damon, 2001.

Spanjaard, J. (1966). August Stärcke (1880-1954): The Sources of Castration Anxiety. In F. Alexander, S. Eisenstein, M. Grotjahn, (red.) (1995), Psychoanalytic Pioneers (p. 321-332). New Brunswick NJ: Transaction Publishers.

Spielrein, S. (1911). Über den psychologischen Inhalt eines Falles von Schizophrenie (Dementia praecox). In Sämtliche Schriften (p. 11-97). Psychosozial-Verlag: Giessen, 2002.

Spielrein, S. (1912). De destructie als oorzaak van het worden. (Vert. D. De Grave & A. Van Neygen). Psychoanalytische Perspectieven, 43/44 (2001), p. 151-189.

Stärcke, A. (1911). Ein Traum, der das Gegenteil einer Wunscherfullung zu verwirklichen schien, zugleich ein Beispiel eines Traumes, der von einem anderen Traum gedeutet wird. Zentralblatt für Psycho-Analyse, 2, 86.

Stärcke, A. (1912). De psychoanalyse vanuit theoretisch standpunt. Psychiatrische en Neurologische Bladen, 16, 364-468.

Stärcke, A. (1914). Inleiding. In S. Freud, De sexuele beschavingsmoraal als oorzaak der moderne zenuwzwakte en Dwanghandelingen en godsdienstoefening (p. 1-6). Baarn: Hollandia Drukkerij.

Stärcke, A. (1921). Psychoanalyse und Psychiatrie. Leipzig/Wenen/Zürich: Internationaler Psychoanalytischer Verlag.

Stärcke, A. (1922). Ongedateerde brief als antwoord op Freuds brief van 10 september 1922. In Bulhof, I.N. (1983). Freud en Nederland — De interpretatie en de invloed van zijn ideeën (p. 198-199). Baarn: Ambo.

Stekel, W. (1907). Die Ursachen der Nervosität — Neue Ansichten über deren Entstehung und Verhütung. Wenen: Knepler.

Stekel, W. (1908). Nervöse Angstzustände und ihre Behandlung. Berlijn: Urban & Schwarzenberg.

Stekel, W. (1911). Die Sprache des Traumes — Eine Darstellung der Symbolik und Deutung des Traumes in ihren Beziehungen zur kranken und gesunden Seele, für Ärzte und Psychologen. Wiesbaden: Verlag von J.F. Bergmann.

Stekel, W. (1950). The autobiography of Wilhelm Stekel — The life story of a pioneer psychoanalyst. (Red. E.A. Gutheil). New York: Liveright.

Stroeken, H. (1997). Freud in Nederland — Een eeuw psychoanalyse. Amsterdam: Boom.

Sulloway, F.J. (1979). Freud, biologist of the mind — Beyond the psychoanalytic legend. New York: Basic Books.

Swoboda, H. (1904). Die perioden des menschlichen Organismus in ihrer psychologischen und biologischen Bedeutung. Leipzig: Deuticke.

Temkin, O. (1994). The Falling Sickness: A History of Epilepsy From the Greeks to the Beginnings of Modern Neurobiology. Baltimore/London: Johns Hopkins University Press.

Thys, M. (1997). Doodsdrift, (zelf)moord en projectieve identificatie — Een kleiniaanse impressie. Tijdschrift voor Psychoanalyse, 3, 190-205.

Thys, M. (2006). Fascinatie — Een fenomenologisch-psychoanalytische verkenning van het onmenselijke. Amsterdam: Boom.

Thys, M. (2008). De gestilde psyche — Over fascinatie, trauma en de doodsdrift. Tijdschrift voor Psychoanalyse, 14, 5-17.

Van Coillie, F. (1998). Omtrent psychanalyse en dood. Tijdschrift voor Psychoanalyse, 4, 70-85.

Van Coillie, F. (1999). Het fantasma van de doodsdrift. Tijdschrift voor Psychoanalyse, 5, 137-153.

Van Coillie, F. (2004). De ongenode gast — Zes psychoanalytische essays over het verlangen en de dood. Amsterdam: Boom.

Van Coillie, F. (2011). Agressie en doodsdrift. In J. Dirckx, M. Hebbrecht, A.W.M. Mooij & R. Vermote (red.), Handboek psychodynamiek — Een verdiepende kijk op psychiatrie en psychotherapie (p. 141-149). Utrecht: De Tijdstroom.

Van Haute, Ph. & Geyskens, T. (2003). Van doodsdrift tot hechtingstheorie — Het primaat van het kind bij Freud, Klein en Hermann. Amsterdam: Boom.

Verbruggen, G. (1999). Van doodsdrift naar violence fondamentale. Tijdschrift voor Psychoanalyse, 5, 89-101.

Weininger, O. (1903). Geschlecht und Charakter — Eine prinzipielle Untersuchung. Wenen/Leipzig: Wilhelm Braumüller.

Weatherill, R. (ed.) (1999). The death drive: New life for a dead subject? London: Rebus Press.

Zentner, M.R. (1995). Die Flugt ins Vergessen — Die Anfänge der Psychoanalyse Freuds bei Schopenhauer. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft.

[1] Een post-freudiaanse verkenning van de doodsdrift in het werk van onder meer Melanie Klein en Jacques Lacan valt dus buiten het bestek van deze bijdrage. Voor eerdere reflecties over Freuds doodsdrift kan onder meer worden verwezen naar: Kappelle (1998), Nicolai (2011), Thys (1997, 2006, 2008), Van Coillie (1998, 1999, 2004, 2011), Van Haute & Geyskens (2003) en Verbruggen (1999).

[2] Ik ontleen deze term aan Hans-Georg Gadamer om te wijzen op het feit dat in het concept ‹doodsdrift› wellicht verschillende betekenissen meeklinken die op hun beurt onlosmakelijk verbonden zijn met de verschillende contexten waarbinnen het begrip zich situeerde. Gadamer spreekt overeenkomstig over een ‹horizonversmelting› (Horizontverschmelzung) (Gadamer 1975, p. 299-306).

[3] Freud verwijst naar Stekels stelling in zijn De dispositie tot de dwangneurose (Freud 1913, p. 253) en werkt die stelling verder uit in zijn Driften en hun lotgevallen (Freud 1915, p. 40-41).

[4] Behalve bij Jean Laplanche (1970) treft men een dergelijke gedecontextualiseerde lectuur aan bij onder meer Jacques Derrida (1980) en André Green (2007).

[5] Voor een recente metafysisch-filosofische interpretatie van de doodsdrift zie Moyaert (2013).

[6] Zie deze gedachte ook in het schitterende hoofdstuk over de zelfmoord als “menselijk privilege” in Van Coillie (2004, pp. 69-87).

[7] Zie voor een klinische duiding van de doodsdrift in de context van zelfdestructiviteit bij patiënten met een voorgeschiedenis van ernstige trauma’s: Nicolai (2011).

%d bloggers liken dit: