De variaties van het onbewuste

Toen onze voorzitter (Bernard Robinson) mij enkele weken geleden voorstelde hier een uiteenzetting te geven, zei hij mij dat twee zaken hem bekommerden. Ten eerste: op welke opvatting van de psychoanalyse kan onze school een voldoende eenheid vestigen? Ten tweede: hoe kan men de psychoanalytische werkzaamheid opvatten betreffende de pathologien die niet de drie klassieke neurosen zijn, waarvan de analyse voor Freud de basis was voor de uitwerking van de theorie van het onbewuste. Bij die dubbele interesse heb ik spontaan, als in een vrije associatie, geantwoord dat ik zou spreken over de variaties van het onbewuste. Op de achtergrond moeten ook twee meer esthetische dan analytische associaties gewerkt hebben: associatie met het landschap en met het bomenloof in Spa waar ik vorige zomer twee zeer aangename convalescentiemaanden doorbracht; waarschijnlijk ook een associatie met de Goldberg ”Variationen” gespeeld door Glenn Gould. Misschien ook met een Leuvense professor in de filosofie die, bij een conflict, een klein artikeltje schreef onder de titel: “Qui n’entend qu’une cloche, n’entend qu’un son, vive le carillon”. Hij heeft zich ook ingezet geld in te zamelen voor een carillon in de toren van Leo XIII, naast het H.I.W. Leuven.

Op het voorplan richtte ik natuurlijk mijn aandacht op datgene wat ons hier samenbrengt en waarop ik ook veel gewerkt heb: de idee van het onbewuste. Ik zeg “idee” in de zin van het Engelse idea: een begrip dat abstract is in zijn algemeenheid maar de innerlijke bindingen behoudt met de veelvormige ervaringsgegevens; een idee die dus in ”principe” nooit eenvoudig en doorzichtig kan gemaakt worden zoals een mathematische betekenaar. Die eigen aard van het onbewuste manifesteert zich op twee wijzen. Ten eerste, de verscheidenheid van de psychopathologien getuigt van de individualiteit van de vormingen van het onbewuste. Die variaties zijn ook medebepaald door de historische en culturele variaties. Het is daarover onder andere dat onze voorzitter ons vandaag doet nadenken. Ten tweede, de vernoemde variaties behoren ook tot het domein van onze moeilijke realiteit, de psychische realiteit die de meest complexe is omdat in haar samenkomen: de neurobiologie en het woord, het woord dat persoonlijk sociaalcultureel is. Hoe zou men dan van het onbewuste een theorie kunnen uitwerken die het doctrinele systeem zou zijn dat alleen en voorgoed het onbewuste duidelijke belicht en dit in al zijn variaties? Dat nastreven zou een ideologische nostalgie zijn, gelijk aan die die ik een schizofreen hoorde uitspreken: “Na jaren bedenkingen is het mij duidelijk geworden dat men zou moeten ertoe komen de mathesis van de mathesis te maken.” Is er een woord dat krachtiger de essentie van de schizofrenie verwoordt? Het heimwee naar een conceptuele abstracte beheersing dat in die pathologie zo krachtig aan het licht komt, bezielt enigszins alle theoretisch denken. Volgens Freud manifesteert het zich het duidelijkst in de filosofie. Dat discrediteert daarom de filosofie niet, want in tegenstelling met Jung en alle jungismen wil Freud het onderscheid behouden tussen de innerlijke spanningen die behoren tot het leven van de geest en hun pathologieën.

 

Wat ons hier vandaag als School samenbrengt, is de intentie onze stellingname te verhelderen, van ons als analytici, ten aanzien van de klinische ervaring die ons dwingt het onbewuste en zijn bijzondere vormen te vatten zoals het in verscheidene psychopathologieën werkzaam is. Iedere analyticus maakt de ervaring dat met de theoretische formules in het hoofd hij mooie uiteenzettingen kan geven en mooie publieke lessen, maar dat met die formules hij toch in de war geraakt bij concrete gevallen. Tenminste wanneer hij er zich niet mee tevreden stelt bij het begin te zeggen: “Ik luister”, en hij het einde: “de volgende maal donderdag om 11 uur”. Jaren supervisie hebben mij geleerd hoe moeilijk het is met inzicht op het goede moment van het theoretisch weten over te gaan naar een spreken dat adequaat ingaat op het spreken van de analysand. De ervaring heeft er mij van overtuigd dat het beroep van analyticus één van de moeilijkste is. Maar ik heb ook geleerd dat velen – dokters, psychologen, advocaten of journalisten dat niet begrijpen en erover spreken volgens hun verbeelding en wens.

Het bedenken van de variaties van het onbewuste is altijd nodig voor onze analytische vorming. Men moet immers die twee waarheden voor de geest houden: ten eerste, iedere persoon is individueel persoonlijk particulier in zijn geschiedenis en in zijn pathologieën; ten tweede: onze menselijkheid is ons gemeenschappelijk: een biologisch lichaam, een psychische lichamelijkheid en een geest gevormd door onze cultuur. Deze twee gegevens samen maken dat er types zijn van psychische ziekten. En ook dat de variaties van de psychische ziekten niet enkele individueel zijn, maar medebepaald worden door het geheel van de culturele tijd en plaats. In mijn leven dat langer is dan dat van de meesten onder u, heb ik bijvoorbeeld gezien dat dwangneurosen zeldzamer geworden zijn, en dat de psychopathologieën, het negatieve van de dwangneurose, veel talrijker zijn geworden. Ik kom hierop terug. Wanneer ik enkele jaren geleden door dr. Jeddi, professor psychiatrie, uitgenodigd word om in de universitaire kliniek van Tunis enkele lessen en seminaries te geven voor het personeel van de psychiatrische kliniek, vooral voor de verpleegkundigen, had ik te maken met zeer overtuigde islamgelovigen, die duidelijk zeer genereus en humanitair waren, maar voor wie de religieuze ideeën en de psychopathologische categorieën intiem met elkaar verweven waren. Ik paste mij natuurlijk aan. Maar wanneer ik eens op haar verzoek een jonge universitair gevormde vrouw van bij ons ontving, en zij mij raad kwam vragen omdat zij overtuigd was door de duivel bezeten te zijn, dan sprak ik natuurlijk met haar als met iemand die tot onze cultuur behoorde, en die het onderscheid maakt tussen het buitennatuurlijke en het psychologische, wel met aandacht natuurlijk voor de moeilijke interferenties tussen beide. In haar psychopathologie zelf maakte zij natuurlijk dit onderscheid niet. Zoals zij het mij vertelde en zoals het mij door anderen, die zij mij aanwees, bevestigd werd, gedroeg zij zich inderdaad soms echt duivels. Zij vertoonde dan heftige geweldcrisissen, brak en scheurde en huilde als een bezetene en ontplooide een dergelijke kracht dat twee of drie personen nodig waren om haar te bedwingen. Ik raadde haar aan te gaan spreken met een analyticus die ik kende en in wiens ervaring ik vertrouwen stelde. Zij heeft het gedaan. Het enige wet ik verder erover weet is wat zij mij enkele weken later per telefoon zei, dat zij haar problemen goed aan het verhelderen was.

 

Wat ons echter deze dagen hier in het bijzonder aanbelangt betreffende de variaties van het onbewuste, zijn o.a. de vormen van psychopathologie die meer aan onze tijd eigen zijn en voor dewelke men zich tot de analyticus richt voor een therapie of voor een consultatie. Wat voor ons belangrijk is in die variaties, is de uitbreiding van de psychoanalyse tot psychopathologie die men niet er voor toegankelijk achtte. Nieuwe bijdragen van de menswetenschappen bevorderen ook die uitbreiding van de praktijk, want zij dragen ertoe bij het onbewuste te denken in zijn vormen en uitwerkingen, zoals Freud het eveneens poogde te doen met de menswetenschappen van zijn tijd.

Freud heeft progressief de structuur en de processen gedacht die de “klassieke” neurosen hem hebben laten ontdekken en exploreren; het zijn: de hysterie, de fobie en de dwangneurose. De opvatting van de fobie, meer welsprekend genoemd “angsthysterie”, is vooral bekend door de therapie van de kleine Hans; een therapie die weinig klassiek geleid werd. En zoals uit dit geval duidelijk wordt, komen de bewegingsfobie en de agorafobie heel dicht bij de twee neurosen die Freud goed kende. Ik denk dat dit ook het geval is bij de volwassene; dit is in ieder geval wat ik geobserveerd heb in een werkelijk ernstig geval, dat in werkelijkheid bestond uit een vorm van dwangmatige uitwijking en ontwijking doortrokken van sterke hysterische tendensen. Volgens mijn ervaring echter kan de fobie van de volwassene ook een symptomatologische verdediging zijn tegen de depressie die haar innerlijke tegendeel verbergt, nl. de manische opgewondenheid en zelfver¨heffing. De fobie van insekten echter, in het bijzonder van de spin, kan een toegespitste verdediging zijn tegen een paranoia die op de achtergrond de persoon bedreigt; een dergelijke fobie is gelukkig vasthoudend en zij verdedigt de patiënt goed tegen de psychose.

De therapeutische werkzaamheid is niet dezelfde in die verscheidene vormen van fobie, zoals zij ook niet dezelfde is met hysterische en met dwangmatige neurosen. Het onbewuste en zijn verdedigingsprocessen zijn het ook niet, en dus de weerstanden tegen de analytische werkzaamheid zijn evenmin dezelfde. Die gegevens horen samen. En als er een weerstand is aan de kant van de analyticus, dan zal die weerstand op de eerste plaats erin bestaan die verschillen te miskennen.

 

De werkzaamheid van de analyticus en van de patiënt zullen ook nog anders zijn wanneer de analyse uitgebreid wordt tot vormen van pathologie die de culturele wijzigingen bijzonder frequent maken. Ik zal echter eerst nog de uitbreiding bespreken van de praxis en van de analytische theorie tot de psychosen. Die pathologie was zeer vroeg aanwezig in het denken van Freud de psychiater. Evenzeer als de neurosen bood de psychose hem de waarnemingen waarop hij zich steunde bij de uitwerking van zijn theorie van het onbewuste. Freuds aandacht ging naar de vorm die ik denk de originele psychose te zijn, nl. de schizofrenie; maar hij was natuurlijk aandachtig voor de vorm die de schizofrenie reeds op de wijze van de verdediging herwerkt, nl. de paranoia. De aandacht voor de psychose blijft essentieel voor een psychoanalyticus, zoals dit was bij Freud, juist omdat het er gaat om een onbewuste dat niet opgenomen en niet bewerkt is in de verdringingswerkzaamheid eigen aan de neurose. Aldus is het onbewuste er niet repressief gereformeerd en niet bewerkt door de opname in en door de taal en de spreekakten; in andere woorden: in zekere zin drukt het oorspronkelijke onbewuste er zich uit in hetgeen de gedachten van de patiënten doorkruist en in hun handelingen zoals die beheerst zijn door onbewuste voorstellingen. Dat onbewuste drukt zich ook enigszins uit in hun in de war brengende woorden en die eigenlijk de woorden zijn van iemand die, op het ogenblik van zijn warwoorden, een niet persoon is, wat het Nederlands zo juist zegt: niemand, niet iemand; de woorden van een niet persoon als wij onder de term “persoon” verstaan: diegene die zich als dusdanig poneert, dit is: als subject van zijn taalakten. Wij weten natuurlijk wel dat een psychoticus dat niet is van de morgen tot de avond en in iedere handeling. Zo niet zou het geen zin hebben hier erover te spreken. Zo zou het evenmin zin hebben de semantische eigenheid te miskennen van wat wij noemen: het subject van de spreekakt en toch te blijven praten over psychose. Laten wij dat surrealistische theater voor later of elders.

Ik zal even uitweiden over het psychotische fenomeen, want het is zeer leerzaam voor het analytische werk met andere pathologieën juist omdat de fantasmen waaruit het onbewuste bestaat daar verschijnen als een universum op zich. Onder fantasmen versta ik: min of meer door verdringing bewerkte voorstellingen die op scène brengen ofwel een onbewuste begeerte, ofwel een beangstigende ervaring ofwel de twee gecombineerd. Freud is begonnen met zeer systematisch dat universum van fantasmen te identificeren en te analyseren in de studie van de dromen en in de redactie van zijn Droominterpretatie. Zoals de eerste analytici die dit probleem bewerkt hebben, zoekt Freud los te komen van de dualiteit die klassiek is sedert dat de Griekse filosofie een schools denken werd, de dualiteit nl. van het fysiologische lichaam en het bewustzijn. Freud poogt er het onbewuste te begrijpen als een soort taal, maar een taal die niet is zoals die van de taalakten, en die dus niet metaforisch is, ook al kunnen de voorstellingen ervan op een bijzondere wijze symbolisch genoemd worden, door de analyticus; want hij interpreteert ze binnen het systeem bewust/onbewust en hij is het, die in zijn interpretatie de intentionaliteit die eigen is aan de metaforisatie, vervangt door de substitutie die door de verdringing tot stand gebracht werd.

Ik vat nu in enkele formules de overtuigingen en de vraagstelling samen waartoe Freud gekomen is na de eerste periode van zijn analytische ontdekkingen. Als er geen verdringing is, is er gaan onbewuste; als het onbewuste niet een zekere band heeft met de taal, is er gaan analyse mogelijk; als het onbewuste zonder meer is als de taal, dan verandert de psychoanalyse zich in het denksysteem van Jung en spreekt men beter van het onderbewuste; en als het onbewuste dezelfde natuur had in alle psychopathologieën, dan zou men het verschil niet verstaan tussen dwangneurose, hysterie en fobie; en als het zin heeft van het onbewuste in de psychose te spreken, waarom is de analyse, ontdekt in de therapie van de neurosen, dan onmogelijk in de psychosen? Het is vooral die laatste vraag waarop Freud dan werkt, in het bijzonder na zijn contacten met Jung en zijn interesse voor de psychose. Freud tracht die vraag te verhelderen in zijn tekst Om het (begrip van het) narcissisme in te voeren (in de psychanalyse), en in zijn verdere Metapsychologische schriften. Er zijn daar schitterende theoretische inzichten die Freud zelf niet voldoende uitgebaat heeft voor het probleem van de psychose. En die ook niet echt bedacht werden door de psychiater-analyticus L. Binswanger in zijn merkwaardige studies over vier psychotici. Men heeft daarvoor moeten wachten tot de analyses die de angelsaksische analytici voortzetten in de lijn van Melanie Klein.

Om het onbewuste in de psychose te verhelderen kom ik eerst even terug op Freuds Zur Einführung des Narzismus van 1914. Freud is er duidelijk tot het inzicht gekomen dat het verschil tussen de neurose en de psychose daarin bestaat, dat in de psychose het ego (het ik) niet normaal gestructureerd is door het nieuwe, structurerende niet uitlegbare moment, dat niet tot de perceptie van het zien kan herleid worden, het moment nl. van de zelfstelling van het ego als ego. Dit is het moment van het narcisme waar op de wijze van het expliciete ik (het ego) de libidinale bindingen met het object in de psyche opgenomen worden, het moment waarop eveneens de libidinale ik-liefde tot stand komt in het subject dat tot dan toe slechts “auto-erotisch” was. Het is door die nieuwe structuur dat volgens Freud de relatie met het object als object mogelijk geworden is. Freud grijpt hier in zijn denken vooruit op wat de moderne linguïstische studies zullen ontwikkelen betreffende de persoonlijke voornaamwoorden en betreffende de taal-akten (speechacts), studies die heel wat niet angelsaksische analytici ongelukkig niet (willen) kennen. Gestimuleerd door zijn conflicten met Jung en onder de indruk van zijn eigen Schreber studie, in herinnering ook aan zijn pre-analytische studies, heeft Freud aldus de psychische plaats bepaald waar de psychose mogelijk wordt. Het is ook de psychische plaats die beter de efficaciteit laat begrijpen van het woord als therapeutische akt in relatie tot het onbewuste dat juist niet de plaats is van het persoonlijke woord. In zijn merkwaardige metapsychologische studie Het onbewuste, heeft Freud dan de verheldering voortgezet van de psychose door juist de aandacht te richten op datgene waarin de psychose verschilt van het psychische leven dat voldoende gelukkig gestructureerd is door het narcistische proces. Zijn nadenken over de therapie door het woord en de vrije associatie, zijn pre-analytische studies om de afasie en zijn interesse voor het taal-automatisme hadden Freud erop voorbereid aandachtig te zijn voor de psychotische wijzen van spreken en voor het begrijpen van de psychose als de min of meer gedestructureerde taalvorm. Zijn discussies met Jung over de psychose hield hij hierbij altijd voor de geest. Zoals het meer gebeurt met diegenen die ingaan in de psychoanalyse door de aandacht eerst aan de psychose te geven, heeft Jung inderdaad gepoogd van de psychose een dimensie te maken van de menselijke existentie die nog cultureel moet georiënteerd worden. De uitdrukking die hij het meest gebruikt, nl. het Unterbewusstes wijst goed de dimensie aan die voor Jung de waanzin vruchtbaar maakt. Die idee heeft trouwens altijd de romantische geesten bekoord, alsook de filosofen, vooral de phenomenologen. Tegen Jung in bevestigt Freud krachtig zijn concept van het onbewuste, en hij poogt dan beter de psychose te plaatsen in de structurele relatie tussen, enerzijds, het ik dat door het moment van het narcisme gevormd is, en, anderzijds, het onbewuste.

In 1915 komt Freud tot het volgende fundamentele idee. De kapitale cesuur tussen de neurose en de psychose moet hierin bestaan, dat in de psychosen de eenheid niet verwezenlijkt is tussen de Wortvorstellungen en de Sachvorstellungen. Het leek mij nuttig enkele woorden te zeggen over die uitspraak waarvan de toedracht niet erkend werd in heel wat verwarde uiteenzettingen na Freud. “Zaakvoorstelling” moet begrepen worden als de doordringing en indringing in het psychisme van de vormende inwerking van zeer vroege ervaringen van verschillende kwaliteiten die een positieve of negatieve libidinale waarde hebben. Men kan zeggen dat de zaakvoorstellingen in het psychisme het statuut hebben van de dingen zonder woorden. Normaal vormt de taal dan een binding met de dingen, met de wereld, met het eigen lichaam en met de anderen; kortom de woordvoorstellingen, d.i. de woorden en de taalordening maken de band met de dingen van de wereld. Dat gebeurt ook in de vervormingen die de neurotische verdringing uitoefent. Daar nu echter de dynamische eenheid tussen de zaak- en de woordvoorstellingen niet gerealiseerd is in de psychose, is de specifieke analytische werkzaamheid niet mogelijk, volgens Freud. En ik kan uit eigen ervaring zeggen dat, wanneer in de jaren 1955-1960 Lacan in Sainte-Anne voor 5 tot 6 analytici in vorming patiënten ondervroeg, hij formeel freudiaans was in zijn diagnose en in zijn beslissing. Alleen wanneer het ging om patiënten op de limiet van de schizofrenie, besloot hij dat men de persoon wellicht kon toevertrouwen aan een analyticus met veel ervaring. En let wel, Lacan had toen reeds zijn seminarie over de psychose gegeven. Ik vermeld dat om goed te doen aanvoelen welke vooruitgang de psychoanalyse gemaakt heeft, vooral de angelsaksische, wanneer hij het probleem van het onbewuste opnieuw bedacht heeft, vooral in verband met de psychose.

Voor Freud berooft de afwezigheid van overdracht in de psychose de psychoanalyse van haar voornaamste drijvende kracht. Aansluitend met Lacan en tengevolge van mijn contacten met analytici van andere groepen, en ook als resultaat van mijn bedenken van de analyse en de neurose, verzet ik mijzelf ook tegen het toespitsen van de analyse op de overdracht. Ik heb mijn houding in dezen ook uitgelegd in het boek over de sublimatie; ik heb er eveneens verduidelijkt waarom Freud ongelukkig zich gekeerd heeft tot de systematische overdrachtsanalyse. Ik denk echter, in het bijzonder na het lezen van Melanie Klein en van degenen die zijn geïnspireerd heeft, dat het toespitsen op de overdracht fundamenteel is in de therapie van de psychosen. De vernieuwingen ingevoerd door Melanie Klein hebben echter ook hun pervers effect gehad. De contacten die ik gehad heb met analytici van Zuid-Amerika hebben mij laten zien dat de opvattingen van Melanie Klein er zo sterk overheersen in bepaalde groepen, dat in alle gevallen alles voortdurend geduid wordt als overdrachtsuitingen, en dat volgens het bekende schema: paranoïde positie – depressieve angst, schema dat permanent zou actief zijn ten overstaan van de analyticus. Dit alles werd mij ook bevestigd door een analysante die dit soort analyse “ondergaan” had. De interpretatie steeds gemaakt volgens hetzelfde theoretische schema, wordt praktisch een instructie, een onderwijs volgens de leer van de school. Alle psychanalyse waar alle theoretische discussies en waar heel de praktijk beheerst worden door dezelfde schema’s wordt trouwens een ideologische karikatuur van de psychoanalyse.

Laat me toe bij die gelegenheid een woord te zeggen over de betekenis van het woord “school” in onze geschiedenis. Wanneer wij in 1964 de Belgische School voor Psychoanalyse ingericht hebben, dan hebben J. Schotte en ikzelf geopteerd voor de benaming “school”, daarbij als verwijzing nemend, niet de kleuterschool maar de Franse scholen: de Ecole normale supérieure of de Ecole polytechnique. Het zijn instituties waar het continue persoonlijke werk en de groepswerking essentieel zijn. Daarbij waren wij ook geïnspireerd door de Ecole die de groep van Lacan zo juist had ingericht na de zware theoretische en ethische conflicten tussen hen die rond en met Lacan de Société Française de Psychanalyse opgericht hadden. Persoonlijk hadden noch J. Schotte noch ikzelf zeker niet de afgeleide betekenis van de term “school” voor ogen, zoals die voorkomt in de uitdrukkingen: de kleiniaanse school, de stoïcijnse school, de scholastische school of de scottistische school (die van Dun Scott, natuurlijk).

Komen wij terug tot het onbewuste in de psychose. Waarom dacht Freud dat de psychose niet toegankelijk is voor een psychanalyse? Vooreerst, omwille van de afwezigheid van de overdracht die het dynamisme en het object is van een psychoanalyse. Ten tweede, omdat de vrije-woord-associatie er niet werkzaam is zoals zij het wel is in de neurosen. De psychose resulteert immers niet uit het soort verdringing die constitutief is voor de neurose. In de psychosen heeft het onbewuste immers niet dezelfde vorm als in de neurosen. Dat is wel het moeilijke probleem om te verhelderen. Men kan vanzelfsprekend niet eenvoudigweg zeggen dat er geen onbewuste is in de psychose; zo niet zou er geen psychisch zieke persoon zijn, maar eenvoudigweg een persoon die mentaal ontoereikend of achterlijk is. Freud heeft dat gezien, en wanneer hij het geval Schreber interpreteert, komt hij ertoe te stellen dat in de psychose het onbewuste zich, vreemd genoeg, onder de open hemel laat zien. De zaak kan natuurlijk niet zo eenvoudig zijn, zoniet zou men met plezier de lof van de waanzin kunnen zingen. Het romantische gemoed dat op de waanzin verliefd was, was toch tragischer wanneer het Gérard de Nerval ertoe bracht zich op te knopen aan een straatlantaarn in Parijs.

Het raadsel van de schizofrenie is, dat er ogenschijnlijk geen onbewuste is en dat in de waan alles gezegd wordt. Zo heb ik laatst een schizofrene vrouw horen zeggen dat ze zich duidelijk herinnert met haar vader seksuele relatie gehad te hebben, en dat dit haar nog verstoort. Als er echter geen waan (delier) is, dan manifesteert het onbewuste als geheel van zaakvoorstellingen zich niet direct verbaal. Nemen wij bv. het schuldbewustzijn. In de therapie van psychotici, in de gevallen waar de splitsing het best geslaagd is en gedurende jaren behouden werd, observeert men na een geruime tijd psychoanalyse een ontzaglijk groot schuldbewustzijn. Om het juister te zeggen: de patiënt spreekt het gevoelen uit slecht te zijn, fundamenteel slecht. Dat brengt soms therapeuten ertoe zich af te vragen of men niet eerder te maken heeft met een dwangneurose. In die neurose is het schuldbewustzijn eveneens onbewust. Maar het is er verdrongen en wat verdrongen is, dingt door en verbergt zich in compromisdaden en -gedachten: een overdreven beleefdheid, een zeker maniérisme, en dit alles op de achtergrond van een angstigheid die het moeilijk maakt zich te beslissen, dat doet aarzelen en herhaaldelijk verificeren. In de psychose is de splitsing radicaal tussen het sprekende ik, het ego dat werkt, niet delireert en, anderzijds, een fantastische drift van destructieve almacht, zo radicaal verdrongen dat zij van de persoon afgesplitst is. Megalomanie en destructiviteit gaan er samen. Volgens mij is het dàt wat Freud zocht te formuleren wanneer hij de vreemd zwijgende doodsdrift invoerde. Het gevaarlijke moment van de psychoanalyse in die gevallen is o.a. wanneer, na een lange therapeutische arbeid, die vernietigingsdrang in het bewustzijn begint door te dringen, het moment wanneer de persoon dit kan uitspreken aan zichzelf en aan de analyticus. Dat pijnlijke en gevaarlijke moment wordt bijzonder scherp bewust wanneer de analyticus progressief de band kan belichten tussen de radicale vernietigingsdrang en de grootheidswaan van het onbewust opgeweilde narcisme. Op dat ogenblik voltrekt zich, volgens het kleiniaanse schema, de omslag van de narcistische almacht in de depressieve positie. En het schuldbewustzijn zoals ik het omschreef, kan leiden tot de zelfverminking door het destructieve geweld gekeerd tegen zichzelf.

In een psychoanalyse die met de psychoticus nog mogelijk is, moet de analyticus volgens mij veel spreken, om aanwezig te zijn als een persoon die met de psychoticus spreekt als een persoon, als een ego. En ook progressief interpreteren en verhelderen wat er in de psychoticus gebeurt. En in die gevallen is de analyse die op de overdracht gecentreerd is volgens mij vaak aangewezen. Maar dit wel in verbinding met de interpretatie van de andere relatievormen van de patiënt die hij als ongelukkig beoordeelt: zijn familiale bindingen, zijn professionele banden en zijn vriendschappen. Want ook die relaties wemelen van destructie-fantasmen, van haat, van grootheids- en van zelfbestraffingsideeën. De analyticus kan hierbij herhalen wat hij van de patiënt vernomen heeft over de initiatieven die hij ongelukkig acht; hij kan de uitspraken expliciteren en ook zeggen dat ze ook hem, de analyticus, onrechtstreeks betreffen. Voorbeeld: men zegt aan de patiënt dat zijn gedragingen in die context hem tot een mislukking leiden, en dat die mislukking ook de betekenis heeft hemzelf en de analyticus te bewijzen dat de therapeutische vordering slechts een schijnverbetering was, en dat in werkelijkheid de analyticus onbekwaam is. Ander voorbeeld: als de psychoticus zich ertegen verzet dat iemand die een echte misdaad begaan heeft, veroordeeld wordt, en als dat de patiënt zo bezig houdt dat hij herhaaldelijk en met angst erop terugkomt, dan lijkt het mij aangewezen dit te interpreteren in verband met wat de psychoticus achtervolgt: het schuldgevoel gebonden aan de onbewuste destructiedrang. Het lijkt mij aangewezen in die gevallen het overdrachtselement in te voeren en de aandringende verwachting van beaming te interpreteren als het verzoek dat de analyticus de patiënt zou bijtreden in zijn verzet, en hem aldus helpt zijn schuldgevoelens radicaal te verdringen.

In zijn merkwaardig boek Impasse and Interpretation zet Rosenfeld enkele gevallen uiteen van psychosen die hij behandeld heeft, of gesuperviseerd. Hij verenigt er uitstekend theorie en praktijk. Hij toont aan waarin bij psychosen het er precies om gaat en waarom die patiënten toch nog voor een psychoanalyse vatbaar zijn en hoe hij tewerk gaat. Men leert zelfs veel eruit voor niet psychotische gevallen, omdat de interpretaties die heel dicht ingaan op de woorden en handelingen van de patiënten, aantonen wat er allemaal in het onbewuste kan leven, ook in neurosen. En terzelfder tijd ziet men er ook dat in de psychosen de onbewuste fantasmen niet bewerkt zijn door de verdringingen die ze tot symptomen omvormen. Het is bijzonder moeilijk hier een voorbeeld te geven van Rosenfelds werkwijze. Een zeer samengedrongen episode van een kuur kan wellicht laten aanvoelen waarover het gaat. Ik verwijs naar p. 65. Een patiënt legt zich hardnekkig erop toe een meisje te verleiden dat niet antwoordt volgens zijn wens. Hij begint dan ernstig te lijden aan maag en ingewanden en komt terecht in een staat van panische angst, en dat ook op de divan. Rosenfeld die het gevaar beseft, interpreteert als volgt. De patiënt gelooft dat hij het meisje werkelijk verslonden en gedood heeft door zijn seksueel bedwingende benadering, wat precies bij hem hetzelfde is als: verslindend. Zij is dan in hem, maar dood. Vandaar ook zijn vrees kanker te hebben. Hij vreest ook dat hij zijn analyticus verslonden heeft, zodat die niet meer in staat is te functioneren en zijn patiënt dus zonder hulp laat. Op die interpretatie antwoordt de patiënt niet; maar zijn geagiteerde angst verdwijnt helemaal en hij zet met vertrouwen zijn analyse verder. Wat is hier gebeurd? Hoe theoretisch dit therapeutisch moment verduidelijken? Ik expliciteer persoonlijk de doelmatigheid van de interpretatie. De libido die hier seksueel verslindend is, oraal destructief dus, wordt door de patiënt herkend doordat hij zelf innerlijk tot zichzelf zeggen kan, wat hij de analyticus hoort zeggen. Het tot zichzelf uitspreken in de context waarin de verslindende oraliteit geactualiseerd wordt door de evident levendige rememoratie, schept een innerlijke afstand ertegenover, zodanig dat die verslindende oraliteit niet meer een onbewuste, blind-overheersende voorstelling is. Het levendige woord dat de patiënt tot zichzelf spreekt, in echo op het woord van de analyticus, breekt de verslindende seksualiteit open en maakt ze geschikt om omvormd te worden in de zin van een menselijke liefde, waarbij het subject zich kan gedragen volgens bewuste en meer vrije intenties. In het geval van de psychoticus speelt het fantasma van de libido van de orale fase onder de open hemel; maar het is onbewust in de precieze betekenis van de afsplitsing: de verdringing dwingt het fantasma ertoe van op afstand op het ego in te werken, zonder compromis dus. Om dit geval te beëindigen, onderstreep ik nog dat hier de overdracht op de analyticus zelfs niet in woorden uitgedrukt werd, maar in de agitatie van de panische angst. De onbewuste voorstelling is als afgesplitst van het ik, en ageert inderdaad ononderscheiden op de psychoticus zelf en op de hier en nu aanwezige analyticus. De interpretatie van de overdracht is dan ook essentieel voor de therapie van die gevallen.

Om te handelen zoals Rosenfeld moet men een lange ervaring hebben en die ook theoretisch verduidelijkt hebben. Maar aangezien andere gevallen die bij de psychose nabij zijn, zich ook aandienen bij de analytici, is het belangrijk zichzelf discreet te richten naar therapie-vormen als die van Rosenfeld. In feite is die praktijk zeer goed geïnspireerd door de freudiaanse opvatting van het onbewuste. Zij wijkt echter van Freud af in de bijzondere interpretatie van de overdracht. De analytische therapeuten van de psychose bewerken ook meer dan Freud de pre-oedipale momenten van de hechting aan de moederfiguur. Het voornaamste is echter dat,in tegenstelling met Freud en met diegenen die bezwaren hebben tegen een analyse van psychotici, analytici zoals Rosenfeld aantonen dat het feit, dat de therapeut zelf in de psychose innig betrokken wordt, kan worden uitgedrukt in woorden. In die vormen van therapie immers wordt de analyticus ook en terzelfder tijd beluisterd als degene die het ware woord zegt. Het is dat precieze gegeven van de dubbele positie die de analyticus in die gevallen inneemt, dat niet erkend wordt door diegenen die de analytische therapie van de psychosen afwijzen. Volgens hen leidt de overdracht die essentieel is in de analyse, de psychotici tot een te gevaarlijke regressie.

 

Ik zou nu willen overgaan tot een in onze dagen zeer verspreide pathologie en die Freud niet als dusdanig ge¿5¿dentificeerd heeft: de depressie als neurose. Men moet ze onderscheiden van de melancholie die Freud goed geduid heeft in Trauer und Melancholie van 1917, het jaar waar hij verder werkt op de nieuw ingevoerde kwestie van het narcisme. Om die reden heb ik in een vroegere in het Frans gepubliceerde studie, recentelijk nu ook in het Engels gepubliceerd, die pathologie genoemd: névrose dépressive, depressie-neurose, naar het model van névrose hystérique of –obsessionnelle. Wat mij de problematische kern van de depressieve neurose lijkt de zijn is, aan de ene kant, de ruim onbewuste hechting aan de moeder en, aan de andere kant, een even onbewuste narcistische almachts-idee. Beide bepalen variabel de depressies. Het gaat dus duidelijk om een pathologie van het ik (het ego). De mooie verwijzingen naar de romantisch-culturele melancholie miskennen waarover het gaat in de depressie, wat de persoon plotseling kan overvallen, en wat er werkzaam is in de afwisseling van elation (de wat kunstmatige te grote opgewektheid) en depressie, en ook in toestanden waarin beide voortdurend in tegenstelling hem samen aanwezig zijn.

Ik zal niet uitgebreid op die kwesties ingaan. Ik wil echter onderstrepen dat het niet toevallig is, dat op onze dagen de depressie de pathologie is voor dewelke men het meest consulteert en waarover men het zeer veel heeft in weekbladen en op de radio. Veel mensen weten nu ook dat antidepressiva bestaan en richten zich liever tot dokters dan tot psychoanalytici. De idee immers, dat het om een neurologische of meer sociologisch-neuronale ziekte gaat, heeft iets meer eervols; men acht zich het slachtoffer van het moderne leven. De aard van onze beschaving, denk ik, maakt ook de depressie frequenter, maar niet om de redenen die men gemakkelijk aangeeft. Zoals voor alle neurosen is de uitleg die men zichzelf geeft, een sluier die men legt over de onbewuste redenen. Die nu zijn tweeërlei. In onze cultuur ten eerste, is de primaire relatie met de moeder vaak meer dan in andere beschavingen gestoord; ten tweede: onze beschaving hitst meer dan andere de imaginaire megalomanie op. Alles moet er mogelijk zijn; de dringende aard van de wedijver maakt jachtig en min gevoelig voor de affectieve vriendschap; de medicale bezorgdheid om welzijn geeft de schijn van pathologie aan momenten van een zekere angstigheid of van affectieve lusteloosheid. De culturele oorzaken van een mogelijke grotere frequentie van werkelijke depressie, hebben als uitwerking, dat men ook de indruk heeft aan depressie te lijden, wanneer het slechts om een affectief onbehagen gaat. Houden wij ons aan de echte depressie. Als men die ernstig onderzoekt, begrijpt men waarom na Freud analytici zich sterk toegelegd hebben op de studie van de primaire affectieve relaties, die nl. met de moeder, en dat men zich niet zo exclusief gericht heeft op de oedipus-complexiteit. In het bijzonder de Britse en Amerikaanse analytici hebben gewerkt op de eerste fasen en bindingen. Hun empirische benadering heeft hen hierbij geleid in vrijheid tegenover tè belastende theoretische stellingen.

Ik besluit hier met enkele woorden het kapittel “depressie”. In die pathologie neemt het onbewuste twee vormen aan die ik definieer als egologisch-libidinaal, als ik-betrokken libido. Enerzijds is er de primaire hechting die alle verzaking weigert; anderzijds is er de vergroting van het ego dat ertoe dringt zich imaginair boven alle narcistische kwetsuur te stellen. Men kan die beide posities “verdringing” noemen; maar het is een bijzonder soort verdringing: het is een niet willen weten. De interpretaties moeten zich erop richten die twee tendensen te expliciteren en te verhelderen. Men leidt de analyse van een reële depressie anders dan die van andere neurosen. Ik voeg eraan toe, dat volgens mij de antidepressiva, voorgeschreven door een psychiater met wie de analyticus kan samenwerken, zeer vaak noodzakelijk zijn. De echte depressie kan de persoon te sterk vermoeid-terneergeslagen houden opdat iets zou kunnen gebeuren in de analyse. En de onbewuste gehechtheid die ik besprak begunstigt ook een staat van psychische dood.

 

In hun praktijk hebben analytici vaak ook te maken met personen bij wie het onbehagen en het verlangen naar een meer gelukkig leven voortkomen uit het lijden veroorzaakt door psychopathische tendensen en gedragingen. Heden ten dage heeft, onder invloed van de Amerikaanse literatuur, de term border-line vaak die van psychopathie opgeslorpt. Ik denk dat het nuttig is beide te onderscheiden. In principe duidt borderline de psychische toestand aan die beweegt op de grens (border) van de psychose. De psychopathie als psychopathologie is het negatieve van de schuldneurose. Psychopathie en schuldneurose zijn twee afwijkingen met betrekking tot de ethische vorming. De verborgen en massieve culpabiliteit in de psychose is van een andere orde, zoals ik besproken heb. De psychopathie als het negatieve van de schuldneurose betekent, dat het schuldgevoelen in die pathologie niet bestaat, wat on-menselijk is. Op onze dagen zijn de schuldneurosen zeldzamer geworden, en de psychopathieën frequenter. Dat verwondert niet diegene die zich het paradoxale motto van ’68 herinnert: “il est interdit d’interdire”.

De term psychopathie komt niet voor in de Vocabulaire de la psychanalyse, want die pathologie, die noch een neurose, noch een psychose is en ook niet een melancholie, is niet een object van studie bij Freud. Heden ten dage kent echter iedereen die term, o.a. omdat de psychiaters op het proces Dutroux met recht verklaard hebben dat hij het paradigma is van de psychopaat. De psychopathie interesseert ons analytici, omdat de studie ervan beter de neurose, de psychose en de sublimatie doet begrijpen. En ook omdat in hun praktijk de analytici te maken hebben met personen bij wie het ongenoegen en het verlangen naar een leven dat beter is, voortkomen uit een lijden dat veroorzaakt wordt door psychopathische tendensen en gedragingen.

Wat kan de analyticus doen met betrekking tot psychopathie? Daar is geen echte verdringing. Er zijn er die zich tot de analyticus wenden omwille van momenten van grote angst, volgend uit het geweld dat onbewust tegen zichzelf gericht wordt. Zeer vaak is men er ongerust omwille van conflicten in de aanpassing aan het beroepsleven of aan het sociale leven in het algemeen. Vrienden of verantwoordelijken verwijzen dan vaak naar de psy.; de persoon kan daarbij ook zelf het initiatief nemen. De motivatie voor een eventuele psychoanalyse is er niet het lijden door een neurose voortgebracht, ook niet door een psychose waarvan men een zeker bewustzijn heeft. De motivatie is er het lijden van het sociale onbehagen. Kan men dan nog spreken van een variant van het onbewuste? Het lijkt me dat er daar een soort onbewuste is dat gelijkenis vertoont met dat van de psychose. Op sommige momenten beneemt de drift in haar libidinale perverse vorm zo de geest en de verbeelding, dat de persoon er door beheerst is, van zichzelf afwezig, als momentaan anders. Praktisch zijn die psychopathische fantasieën altijd aanwezig, maar ze blijven er op de achtergrond van het bewustzijn. Er is trouwens een grote verscheidenheid van psychopathieën. Naast de misdadige psychopaten zijn er de willoze, onvaste personen, die geen levensproject hebben en zich laten drijven door enkele onmiddellijke en veranderlijke begeerten. Zij begaan geen misdaden, maar misbruiken de anderen schaamteloos. Er zijn er die terzelfder tijd sociaal achtenswaardi¨ge mensen zijn, maar die in hun verbeelding bij momenten echte psychopaten zijn. De omstandigheden zoals een oorlog of een revolutie doen de sociale orde wankelen, heffen dan de sociale druk op de gedragingen op, en laten de driften vrij die nooit volgens een persoonlijk geweten ethisch gestructureerd werden.

Wat kan de psychoanalyticus doen wanneer dit soort personen zich tot hem richten, of wat meer voorkomt, wanneer anderen, vaak de huisarts, hen sturen? Gaat gij hen dan spreken over “hun begeerte” (“leur désir“)? Hun begeerte die men hen moet leren ontdekken in het geheim van hun onbewuste als een klein verborgen juweel? Dat soort mooie woorden zou prettig overeenstemmen met de min of meer heimelijk onderhouden fantasieën van de psychopaten. De psychopathische verbeeldingen zijn immers niet echt verdrongen, maar afgesplitst van de zich min of meer aanpassende persoon.

Men vindt in Freud geen indicaties voor dat soort therapie. Wanneer hij bv. de gewelddadige, duidelijk misdadige verleiding bespreekt, analyseert hij wat er omgaat in het slachtoffer. En wanneer hij, geschokt door slachtpartijen en de vernielingen in de oorlog, op het geweld nadenkt, dan gebruikt hij zeer rationalistische evolutionistische categorieën betreffende de “primitieve mens”. En opnieuw maakt hij merkwaardige analyses van de slachtoffers en brengt hij een nieuwe klinische entiteit naar voor, een nieuwe variëteit van het onbewuste: de traumatische neurose. Men behandelt die noch als de hysterie, noch als een schuldneurose.

Om te antwoorden op de vraag wat men doen kan, belicht ik de psychopathie met de psychoanalytische theorie. Twee kentrekken treffen mij in wat men waarnemen en horen kan. Ten eerste, de psychopaat heeft niet de ingesteldheid van de verantwoordelijke zorg voor de andere als persoon, dit is als een subject dat zich zijn persoonlijke waardigheid bewust is, dat een geluk begeert dat verder ligt dan de genietingen, dat een woord van waarheid verlangt. Er is dus geen verdringing, maar een sterk tekort aan structurering van de humaniteit. In de terminologie van Freud: een afwezigheid van die instantie die hoort tot de narcistische structurering van het ego: het Ueberich, zo genoemd omdat het van binnen uit in het gevormde ik de ethisch-culturele waarden vertegenwoordigt die het subject oriënteren. Zoals Freud het zelf bevestigt, is hij in die opvatting eens met Kant, en precies tegengesteld aan Sade. Zoals Lacan het onderstreept, neutraliseert Sade affectief het zien van het lijden dat de sadist veroorzaakt. Maar hij doet het om ten volle te genieten van zijn dominerende onverschilligheid; dat merkte Lacan niet op. Tegenover Lacan moet men ook erkennen, dat Kant heel duidelijk stelt dat de mens als mens deel heeft aan een hogere (transcendente) orde die stelt dat er een “moeten” is, en dus ook een verbod, dat de mens spontaan leidt in ethische oordelen en in de eerbied voor de andere. Zeker, al wat ertoe bestemd is de humaniteit van de mens uit te maken, kan pathologisch worden. De structurering van het ik door de dimensie die het Ueberich is, kan tot dwangneurose afwijken. De afwezigheid van die structurering zoals men ze opmerkt in de psychopathieën, is nochtans niet neutraal. De niet gehumaniseerde driften blijven niet “natuurlijk”, want de driften zijn nooit zuiver natuurlijk bij de mens. Daarom is het dat Freud besliste aan de analytische teksten het onderscheid op te leggen tussen Trieb en Instinkt. Die beslissing heeft geen linguïstisch fundament, zegt Freud, maar behoort tot de schepping van de taal eigen aan een nieuwe wetenschap.

De analytische theorie laat ook toe in de psychopathieën de voorstelling van almacht te erkennen die er een constitutief kenmerk van is. Het gaat er niet om een waanzin, maar om een fantasma dat actief is in de gedragingen en dat er het bijzondere genot van uitmaakt; het sadistische genot zichzelf te verheffen in de overschrijding van algemeen-menselijke morele wetten. Het complexe genot dat men er heeft in het lijden van de andere, staat niet op de voorgrond in het genot van de psychopaat. De andere met zijn eigen gevoelens is hem eerder onverschillig. De erotische figuur van het mooie jonge meisjes of de knaap wiens geslacht begint wakker te worden, kunnen de begeerte stimuleren om ze te bezitten als een symbolisch object, te bezitten tot aan de destructie toe. In het hart van die begeerte leeft er, scheen het mij altijd, het geëxalteerde gevoelen van overheersende macht en van destructie door overheersing. Door die tweede kentrek, die van de pathologie van het ego, gaat het om een pathologie van het narcisme.

Is een therapie mogelijk? Waarschijnlijk weet u dat Gilbert, de Franse priester die het huwelijk van prins Laurent ingezegend heeft, werkzaam is met jonge criminelen, zware psychopaten, die de justitie hem toevertrouwt. Hij heeft verteld hoe ongehoord moeilijk het is zijn groep op humane wijze te doen leven. Dààr is in alle geval “de andere de hel” en zelf kan men er slechts een hel zijn voor de andere. Het voornaamste middel om hier geleidelijk tot een zekere humanisatie te komen, is aan ieder van die psychopaten een dier naar zijn keuze toe te vertrouwen, dat hij verzorgt, voedt, enz., een dier waaraan hij zich leert hechten met een bezorgdheid die menselijk is, een hechting die niet dezelfde is als die van een dier aan een dier. De psychopaat kan zich hechten aan een dier, want het dier is niet een ander ego met wie hij voor alles in rivaliteit komt en tot wie hij ook een verzoek (demande) richt dat nooit kan en zal bevredigd worden.

In therapieën waar de psychopathie niet zo diep-onmenselijk is, zijn twee werkrichtingen mogelijk, langs de twee wegen die mijn analyse aanwijst.

Men poogt een nog aanwezig bekwaamheid tot sympathie te verlevendigen en de patiënt te doen bewust worden van de uitwerking op de anderen van de psychopathische gedragingen. Men kan dit doen door de patiënt eraan te herinneren dat hij over zijn leven komt spreken, omdat de zich herhalende mislukkingen en ontgoochelingen in zijn relaties hem doen lijden. Zo doet men hem tot zichzelf zeggen dat, ook als hij door een dokter of rechter verwezen is, hij over zichzelf komt spreken en dat hij problemen heeft die hij graag zou verhelderen. Men toont hem ook aan dat door zijn handelswijze hij zelf zijn ongeluk bewerkt. Hij is zich niet bewust van wat hij doet, maar dit niet bewust-zijn is een toestand van de afwezigheid van aandacht geven aan, niet van verdringing. In die gevallen moet de analyticus dus het zuivere goud van de analyse verzaken, en enigszins het vormingswerk verrichten dat niet gemaakt werd. Men helpt aldus de gedenatureerde natuur zich opnieuw te laten vormen. Ofwel beslist men niets te doen.

Ik zou terzelfder tijd de weg volgen van de verheldering van de heimelijke megalomanie; heimelijk, aan zichzelf niet bekend, in die zin enigszins verdrongen, maar aanwezig in de fantasmen en in de dagdromen. Betreffende dit element van de psychopathie is de analyticus erop voorbereid een therapie te leiden. Hij weet immers dat de weerstand deel uitmaakt van de verlangde genezing, want, zoals Freud het zegt, de genezing impliceert altijd een verzaking. In de besproken gevallen zullen de affectieve kosten van de genezing bestaan in de verzaking van de nevel van machtsverbeeldingen. Dit soort therapie leiden, vergt een veel actiever aanwezigheid dan de analyse maken van de neurosen.

 

Ik besluit. In de vormen van psychopathologie die ik beschouwd heb, verschilt het onbewuste van het onbewuste van de klassieke neurosen, en het is ook verschillend in ieder besproken type van pathologie. De verscheidenheid van de vorm en van de actie van het onbewuste resulteren telkens uit een ander type van verdringing. Ik behoud die freudiaanse term, omdat hij de beste is om uit te drukken dat het subject actief het bepaalde onbewuste voortbrengt, zodat de patiënt ook de therapeutische activiteit kan voortbrengen, in eenheid met het werk dat de analyticus verricht. In de psychose heeft de verdringing een werkelijke splitsing bewerkt tussen het ego en de fantasmen waarin de driften destijds een ondergronds en ongeordend leven aangenomen hebben. In de neurotische depressie is het een megalomanisch fantasma dat ageert onder en in de gevoelens van leegheid en neerslachtigheid. In de psychopathie is er benevens het negatieve van de afwezigheid van een cultureel-ethische structurering van de psyche, ook een soort megalomanie in het anti-ethische geweld.

Waarde collega’s van de School, de pathologieën van onze tijd waarop onze president wil doen nadenken als analyticus, hebben mij ertoe geleid u ook onzuiver goud te verkopen. Ik hoop dat het u van nut zal zijn.

in Communications/Mededelingen, 39, 2004/3, pp.31-39

Ce message est également disponible en : Frans

%d bloggers liken dit: