Alles wat de psychoanalyse altijd al over borderline wou weten, maar niet durfde vragen aan kunstenaars – Abe Geldhof

Beste collega’s, vrienden,

 

Eerst en vooral wil ik de organisatoren welgemeend bedanken voor de uitnodiging die ik kreeg om hier vandaag de aftrap van het nieuwe werkjaar mee te verzorgen. Zelf ben ik geen lid van de Belgische School voor Psychoanalyse, wel van de Kring voor Psychoanalyse. Dat men mij toch heeft gevraagd, beschouw ik als een eer en dus ben ik onmiddellijk en met veel enthousiasme op jullie uitnodiging ingegaan. Het lidmaatschap van deze of gene school staat de vriendschap, het uitwisselen van ervaringen en het samenwerken duidelijk niet in de weg!

Toen men mij contacteerde, heeft men mij ook een onderwerp voorgesteld. Men stelde voor dat ik kwam spreken over psychoanalyse en kunst, liefst gekoppeld aan de thematiek van de borderline. Dat inspireerde mij om deze drie termen op een heel specifieke manier met elkaar te verknopen, op een ludieke, maar toch ook serieuze manier. Ik stelde de volgende titel voor: “alles wat de psychoanalyse altijd al over borderline wou weten, maar niet durfde te vragen aan kunstenaars”. Wie het werk van de Sloveens filosoof kent, hoort daar uiteraard meteen een echo in doorklinken van een van diens boeken : Everything you always wanted to know about Jacques Lacan, but were afraid to ask Hitchcock.[1]

 

Zich tegen het reële verdedigen versus het reële aanpakken

Laat mij deze titel even toelichten. In het interbellum, in 1930, stelt Freud dat zaken zoals toxicomanie, seksuele verslavingen, romantische bekommernissen, neurotische klachten en psychotische wanen elk op hun manier getuigen van een onbehagen in de cultuur. Dat onbehagen in de cultuur zou fundamenteel zijn, het zou nooit helemaal verdwijnen.

Dat is geen wereldschokkende stelling. Het wordt wel verrassend wanneer Freud aan dat rijtje ook de wetenschap toevoegt, de religie, de filosofie, de kunst en ja, zelfs de psychoanalyse. In wezen zijn elk van deze discours volgens Freud niets anders dan pogingen om met dat structurele onbehagen om te gaan. Men kan zich inderdaad verslaven aan een toxisch middel, aan de wetenschap, aan de seksualiteit, aan de kunst, en er zijn inderdaad ook verslaafden aan de psychoanalyse!

Lacan maakt daar in zijn jargon van dat elk discours een verdediging is tegen een reële, dat hij definieert als het ‘onmogelijke’ of ook als ‘wat niet te verdragen valt’. Zeggen dat elk discours een verdediging is, betekent meteen ook dat elk discours een zekere mate van schijn inhoudt. Het discours valt nooit samen met het Ding. Elk discours zit er altijd wel in meerdere of mindere mate ‘naast’. Dat belette Lacan evenwel niet om openlijk de vraag op te werpen of er een discours mogelijk zou kunnen zijn dat géén schijn is, en of dat discours dan het discours van de psychoanalyse zou kunnen zijn.[2] Amper één jaar later lijkt hij die vraag negatief te beantwoorden : alle talige constructies zijn ‘hersenspinsels’, stelt hij. Alleen komt het ene hersenspinsel iets dichter bij het reële dan het andere.[3]

Welnu, dit is een interessant uitgangspunt om te spreken over psychoanalyse, kunst en borderline: zelfs als dit drie absoluut verschillende zaken zijn, hebben ze precies dit onbehagen gemeenschappelijk. En bovendien leert de analyse van Lacan ons dat niets – noch de wetenschap, noch de religie, noch de kunst, noch de psychoanalyse – dit onbehagen definitief zal uitroeien. Wel integendeel. Het psychoanalytisch discours kan wel bijdragen om een manier te vinden om er mee om te gaan, eerder dan zich vruchteloos tegen dit reële te verzetten. Een psychoanalyse kan met andere woorden er toe leiden dat men zijn reële tot vriend neemt! Dat men er creatief mee leert omgaan. Op dat punt lijken de psychoanalyse en de kunsten mij mogelijke bondgenoten.

 

Alles…

Ondanks dat de titel van deze lezing met het woordje ‘alles’ begint, kan het nooit de bedoeling zijn om ‘alles’ te willen zeggen. Een psychoanalyticus moet zijn eventuele neigingen om erudiet op een publiek over te komen aan de kant zetten. Dergelijke narcistische neigingen hebben ten slotte altijd iets triest. Het kan enkel en alleen het zonet aangehaalde schijngehalte van een discours voeden – of wat hetzelfde is: het blabla-gehalte. Het zou het reële waar het toch telkens over gaat miskennen. Eerder dan alles wat er doorheen de geschiedenis over borderline gezegd is geweest op een rijtje te zetten, heb ik daarom de ambitie om een gat in de bestaande discours over borderline aan te duiden. Dat lijkt mij veel interessanter, veel levendiger, veel boeiender, en in het beste geval kan het zelfs verwarring zaaien.

 

… wat de psychoanalyse altijd al over borderline…

De diagnose ‘borderline’ zag het licht in de jaren ’50, en is afkomstig van de KKK – ik heb het niet over de Ku Klux Klan, maar over Knight, Kernberg en Kohut. De introductie van de nieuwe diagnose kan worden beschouwd als een reactie op een diagnostische moeilijkheid in het begrijpen van de schizofrenie zoals Bleuler dit conceptualiseerde. Het is ook een reactie op de verwarring van psychoanalytici in hun lectuur van het werk van Freud, die een strikt onderscheid behield tussen de categorieën van de neurose en psychose.

Borderline is aanvankelijk dus de naam voor de verwarring onder psychoanalytici ten aanzien van een klinisch fenomeen dat zich op de grens zou bevinden van de twee klassieke psychische structuren. Problemen die te zwaar zijn om nog neurose te zijn, of die te licht zijn om al psychose te zijn, dat werd een beetje kort door de bocht dan de borderline-categorie.[4] Men ziet dat er op deze manier geen strikt onderscheid gemaakt wordt tussen de neurose en de psychose. Het gaat in deze visie om een continuüm van neurose, over borderline naar psychose.

Freud en Lacan behouden dit onderscheid tussen de neurose en de psychose op hun beurt wel vrij strikt. Daarom is er in hun theorie geen plaats voor zoiets als borderline. We kunnen daarover discussiëren. Kunnen we het strikte onderscheid tussen twee afzonderlijke subjectstructuren volhouden? En valt de categorie van de borderline dan ook per definitie weg? Of moeten we tussen deze subjectstructuren toch een continuüm zien. Dit is voer voor de discussie zo meteen, lijkt mij.

Toch meteen al even vermelden, om de discussie in te leiden, dat Yves Vanderveken, voorzitter van de NLS, onlangs nog stelde dat de psychoanalyse volgens hem nood heeft aan een diagnostiek van discrete tekens. De categorie borderline, als aparte structuur naast de klassieke neurose, psychose en perversie, toont volgens hem alleen maar aan dat het denken in termen van structuren tot een failliet leidt. In plaats van een kliniek van de persoonlijkheidsstructuren, stelt hij dus een gedetailleerde lectuur van discrete tekens binnen de logica van elke singuliere gevalstudie voor.[5] De laatste jaren merk ik geheel in deze lijn binnen lacaniaanse psychoanalytische scholen steeds vaker een tendens op om de diagnostiek volstrekt ondergeschikt te maken aan concepten. Het zijn die concepten die van belang zijn, veeleer dan de diagnostiek, omdat de concepten het singuliere verhaal leesbaar maken en de diagnostiek dat verhaal net terug sluit.[6]

Voorbij deze kritische opmerkingen inzake diagnostiek merken we het volgende op: van alle constructen, concepten of diagnoses die de psychoanalyse heeft voortgebracht, is borderline een van de meest succesvolle gebleken. De diagnose is een eigen leven gaan leiden buiten de psychoanalyse. Het is een van de weinige zaken die definitief vanuit de psychoanalyse in het psychologische en psychiatrische discours zijn opgenomen. De ironie wil dat men heel vaak die geschiedenis niet kent. Heel vaak weet men absoluut niet dat deze ‘topdiagnose’ uit een moeilijkheid in de psychoanalytische theorievorming afkomstig is.

Laat mij daarom een vraag oproepen : als de diagnose ‘borderline’ zo’n enorm succes kent binnen de psychiatrie en de psychologie, wordt het dan geen tijd dat de psychoanalyse zich over deze term bezint? Zouden we niet net kunnen stellen dat de diagnose zo populair is geworden omdat de psychoanalyse zélf het onbewuste in zijn theorievorming over die zogeheten borderline-patiënten heeft verworpen? Binnen de lacaniaanse scholen heeft de diagnose borderline volgens mij tot op de dag van vandaag precies om die reden nooit ingang heeft gevonden.

 

…wou weten,…

Er valt ook iets te weten over het fenomeen. Dat betekent dat het kan worden gelezen. Het kan worden ontcijferd, zoals ‘een rebus’ om het in de woorden van Freud te zeggen. Voor Lacan is dit een aanwijzing dat men niet in de diepte moet gaan graven. De rebus wijst er net op dat het te ontcijferen materiaal aan de oppervlakte ligt, in het materiaal van de tekst, en nergens anders.

Hoe dan ook betekent het feit dat iets kan worden gelezen, ontcijferd, geïnterpreteerd, dat iemand dat moet doen. Om iets te lezen is er dus een noodzakelijk overdracht. Laat ons vandaag die vraag even aan kunstenaars voorleggen. Laten we onze eigen overdracht dus vandaag naar kunstenaars richten.

 

… maar niet durfde vragen aan kunstenaars.

Ik suggereer met de titel ook dat er een zekere angst in het spel kan zijn, wanneer de psychoanalyse zich met de borderline confronteert. “Alles wat je niet durfde te vragen”. Mijn stelling is nu dat dit alles te maken heeft met het onbehagen in het algemeen, en met de vrouwelijkheid in het bijzonder. Is het niet opvallend dat het merendeel van de personen die als borderline worden gediagnostiseerd vrouwen zijn? Al naar gelang de bron, zouden meer dan drie keer meer vrouwen als borderline worden gediagnostiseerd. Als we Lacan serieus mogen nemen, dan zou de meest angstwekkende vraag die iemand zich kan stellen deze zijn naar het verlangen van de Ander. Wat wil de Ander van mij? In dit geval wordt de vraag dus: wat wil de borderline-vrouw van mij, mannelijke psy? Een confrontatie met de intimiteit van een Ander kan inderdaad altijd wel een beetje ‘Unheimlich’ zijn, en zeker als die Ander een vrouw is, dreigt een man wel eens de grond van onder zijn voeten te verliezen. Tussen haakjes zij opgemerkt, dat alle theoretici van de borderline en de hysterie – de voorloper van de borderline – zonder uitzondering mannen zijn.

 

Een schuinse ondervraging

Bij deze is de toon gezet voor een ondervraging. Ik zal die ondervraging niet ‘frontaal’ doen, maar ‘schuins’, zoals Lacan ons voorstelt om het onbewuste in het discours te beluisteren. Dat doet hij in de elfde jaargang van zijn seminarie wanneer hij het schilderij ‘De ambassadeurs’ van Holbein uit 1533 ter sprake brengt. Twee mannen staan er majesteitelijk uitgedost bij de instrumenten van hun wetenschappelijke trots: wereldbol, passer, verrekijker, noem maar op. Wanneer de toeschouwer de kamer waarin het schilderij hangt langs de linkerzijde verlaat, en nog even een blik achterom werpt, ziet hij plots iets nieuws. Onderaan het schilderij grijnst een doodskop de toeschouwer toe die slechts vanuit een bepaalde schuine hoek zichtbaar is. Tussen de fallische instrumenten van de Mannen-van-Aanzien verschijnt het object van de dood. Een dood die zij niet willen zien, maar die hun wetenschappelijk werk er niet minder door opjaagt. Ik zal jullie nu een vijf stellingen ter discussie voorleggen. Telkens gaat het om zaken die we over borderline kunnen leren van kunstenaars.

 

Stelling één : ‘Borderline’ is de som van alle mogelijke misverstanden die zich rond een niet-begrepen klinisch fenomeen hebben verzameld

De diagnose borderline heeft een enorme populariteit, zowel in de psychiatrie, als ver voorbij haar grenzen. Dit jaar is het overkoepelende thema van de Vlaamse Opera & Ballet zelfs ‘Borderline’. Het woord ‘borderline’ is alive and kicking in onze cultuur. Laat ons dus even deze topper uit de psychiatrische diagnostiek vanop een afstand beschouwen.

Zouden we niet kunnen stellen dat de diagnose zijn kassucces te danken heeft aan het feit dat de diagnose in extreem vergaande mate ‘open’ blijft? Die openheid wordt door de DSM gepromoot. Ze formuleert negen criteria waarvan er vijf of meer aanwezig dienen te zijn. Een dergelijke suggestieve definiëring is bijzonder problematisch en zelfs volstrekt onwetenschappelijk. De vergaande openheid van de diagnose is namelijk een perfecte voedingsbodem voor de onbewuste fantasieën van de hulpverlener. Hij kan zoveel in de diagnose herkennen als zijn onbewuste en zijn genot hem toelaten. Vage tekenen van angst, verwarring, leegte of radeloosheid, kunnen de diagnose reeds uitlokken. Interpersoonlijke moeilijkheden, perverse trekken, wat uitdagend gedrag en automutilatie evenzeer. In laatste instantie lees ik tussen de regels van de DSM door dat de borderline over de paradoxen van het verlangen gaat. Elke psy – zo zou ik het wat oneerbiedig durven stellen – kan er op die manier zijn Ding in kwijt.

Lieven Jonckheere formuleerde het ooit zo dat het verlangen de stoornis van de mens bij uitstek is. Zouden we nu inderdaad niet net in de diagnose borderline, onze hedendaagse stoornis bij uitstek zeg maar, alle paradoxen van het verlangen kunnen lezen? En zouden we niet kunnen zeggen dat telkens wanneer wij niet met de obscure kanten in het verlangen van onze medemens geconfronteerd willen worden, de hulpverlening klaar staat om dat onruststokende verlangen te pathologiseren en als borderline weg te wuiven?

Laat ons de onsterfelijke Lev Tolstoj parafraseren, die Anna Karenina laat beginnen met de zin: “Alle gelukkige families lijken op elkaar, terwijl alle ongelukkige families ongelukkig zijn op hun eigen manier”. Is het niet zo dat alle gelukkigen inderdaad op elkaar lijken, terwijl alle ‘borderliners’ ongelukkig zijn op hun eigen manier? En als iedereen op zijn eigen manier ongelukkig is, waarom dan nog het ongeluk diagnosticeren als ‘borderline’? Moeten we dan niet eerder gaan nadenken over wat ongeluk geval per geval betekent, in plaats van dat ongeluk te pathologiseren en te labelen?

Laat ons meteen ook de fijngevoelige uitspraak van de dichter Rainer Maria Rilke in herinnering brengen, dat “roem de som van misverstanden is die zich om iemands naam groeperen”.[7] Kunnen we hier niet precies dezelfde bedenking maken bij de popdiagnose ‘borderline’? Borderline zou dan de som van alle mogelijke misverstanden zijn die zich rond een niet-begrepen klinisch fenomeen hebben verzameld.

Rilke heeft hiermee, zoals Frank Vande Veire in zijn doctoraat heel precies aanhaalde, een perfecte definitie gegeven van wat Lacan begreep onder een meesterbetekenaar.[8] Het is een betekenaar die op zich betekenisloos is, maar net omwille van zijn betekenisloosheid allerlei tegenstrijdige betekenissen rond zich kan verzamelen.

Toch moet er iets zorgen dat die uiteenlopende betekenissen geneigd zijn om zich te kristalliseren in dat ene woord. Daarvoor zorgt het genot. Die betekenissen worden verzameld rond een genot. Waarom? Men dient daarvoor de effecten van de etikettering in rekenschap te brengen: borderline wordt algemeen erkend als een vuilbakcategorie. Weet je niet wat aanvangen met je patiënt? zo lijkt men te redeneren, noem hem dan borderline! Werkt iemand niet mee aan de behandeling? Stel je geen vragen over je eigen positie, noem hem therapieresistent! Probeert iemand te tonen wat hij niet kan zeggen? Negeren maar, ze zoeken toch altijd aandacht, die borderliners!

Helaas heb ik al veel te vaak dergelijke redeneringen gehoord (expliciet of impliciet) om dit nog grappig te vinden. Patiënten zijn daar de dupe van. Zij zijn de dupe van het onbegrip van therapeuten die de diagnose borderline als een ontologisch gegeven beschouwen, alsof iemand enkel nog borderline zou zijn, alsof iemand met zijn diagnose zou kunnen samenvallen. Alsof men borderline zou kunnen zijn!?

Borderline herdefinieer ik dus op basis van Rilke als “de som van alle mogelijke misverstanden die zich rond een niet-begrepen klinisch fenomeen hebben verzameld”.

Nu kan het geen kwaad dat wij, psychoanalytici, aan enige zelfkritiek doen, want die term borderline komt wel degelijk uit de schoot van psychoanalytische verenigingen, om pas later op grote schaal gerecupereerd te worden in de psychiatrie en klinische psychologie. Laat mij deze zelfkritiek zo formuleren: de diagnose borderline duikt telkens op wanneer de therapeut er niet in slaagt om de paradoxen van het verlangen en van het genot bij zijn patiënt correct te duiden. De diagnose duikt dus op wanneer de therapeut machteloos staat ten aanzien van het reële dat de patiënt parten speelt. De diagnose dient dan precies om deze onmacht van de therapeut te verdoezelen.

 

Stelling twee: Kunstenaars kunnen ons leren hoe we onze blik op ‘borderline’ kunnen veranderen

Op zich toont het bestaan van de term borderline, van zijn lange reeks aan tegenstrijdige invullingen én van zijn alternatieven, dus een impasse aan. Het is onze ethische plicht om deze spanningen in theorie en kliniek niet onder tafel te schuiven, maar deze zelfs centraal te stellen en deze impasse te interpreteren.

Een typische reactie is om de diagnose – die altijd een machtsdynamiek impliceert omdat de benoeming van de Ander komt – terug te werpen. Ik borderline? Nee, gij borderline! Dit is een duaal-imaginaire reactie; duaal omdat het een welles-nietes spelletje is tussen Ik en Ander, imaginair omdat het gevangen blijft in een bepaald beeld (image) over wat borderline precies zou zijn. Deze reactie treft men aan bij sommige patiënten die borderline worden genoemd. Tragisch daaraan is dat zij weinig verweer hebben tegen deze machtsdynamiek, want wanneer de ‘borderliner’ zijn diagnose weigert, vindt de diagnosticus enkel bevestiging voor zijn diagnose. Zie je wel, opstandig gedrag, typisch borderline. Psychologen hebben het mechanisme van de selffulfilling prophecy al lang geleden beschreven.

Nu stel ik mij de volgende vraag. Steeds vaker lezen we analyses die de borderline-problematiek van de patiënt veralgemenen naar de tijd waarin we leven. Dirk De Wachter staat daar met zijn borderline-times zeker niet alleen in. Moeten we deze verschuiving van het individu naar de samenleving zien als een gelijkaardige duaal-imaginaire verschuiving? Van het type ‘Ik borderline? Nee borderline-tijden!’ Of mogen we hier besluiten dat het verschuiven van de these dat de problematiek bij de enkeling ligt naar het idee dat de tijden waarin we leven borderline zijn, een moment van antithese inhoudt?

Het minste dat we kunnen zeggen is dát er een verschuiving plaatsvindt. Toch is deze volgens mij niet van dezelfde imaginaire orde zoals het gevecht tussen patiënt-psychiater dat ik net beschreef. Ik begrijp het eerder als de verruiming van het perspectief. Dat is een techniek die wel vaker wordt gebruikt door cineasten zoals Alfred Hitchcock. Toen ik het boek van Dirk De Wachter doornam, stelde ik mij scenario’s à la Hitchcock voor: eerst zien we bijvoorbeeld de eenzame worstelende zelfdestructieve patiënt in beeld, eeuwig in gevecht met zichzelf en zijn naaste omgeving. Geleidelijk aan zoomt het beeld uit. We zien de patiënt in de instelling, omringd door een specifieke vorm van hulpverlening, bij zijn familie en vrienden, en tot slot zien we de maatschappij en de historische tijd waarin de patiënt leeft. Het eindverdict van deze montagetechniek is zonneklaar: we moeten naar het ruimere plaatje kijken!

Toepassingen in de psychologie van Hitchcock’s artistieke technieken beschouw ik als een interessante werkwijze die ons iets zeer waardevol oplevert. Ik meen zelfs dat deze methode op een bepaalde manier subversief kan zijn. Het lijkt in eerste instantie een vrij voor de hand liggende en in sommige gevallen zelfs banale methode, maar stellen we ons even voor dat we deze methode toepassen op het hedendaagse terrorisme. Dan blijkt het toch zo evident nog niet. Het is veel geruststellender om terreurdaden net uit hun context te isoleren, en ze als gewelddadige acten van krankzinnige individuen of krankzinnige godsdiensten te beschouwen, dan wanneer we à la Hitchcock de geschiedkundige context haarfijn zouden analyseren.

Dat extremisme blijkt dan namelijk plots een heel pak complexer te zijn. Dit procedé à la Hitchcock werpt de verantwoordelijkheid van de westerse landen als een boemerang terug in het gezicht, want het is ondubbelzinnig zo dat de VS en de EU het Midden-Oosten zelf volkomen hebben gedestabiliseerd sinds hun invasie in Afghanistan en Irak. Het terrorisme is zonder enige twijfel een spook dat door Bush in het leven werd geroepen. De minimale explosies die we op ons continent te verwerken krijgen (Madrid, Londen, Parijs, Brussel,…), zijn symptomen van wat onze eigen politiek tracht te verdringen. Het geval isoleren als ‘terreur’ zónder de ruimere context te analyseren, is daarom niets anders dan een ideologisch politiek discours in de kaarten spelen.

Waarom zeg ik dit in de context van de borderline-thematiek? Om aan te tonen dat het contextualiseren ten allen tijde absoluut noodzakelijk is en zelfs confronterender kan zijn dan het op het eerste gezicht lijkt. De contextualisering toont namelijk onvermijdelijk blinde vlekken aan in het meesterdiscours. Het toepassen van dit procedé in de borderline-thematiek toont aan dat geen enkel geval gelijk is aan een ander, en dat we dus in de meest vergaande mate met deze singulariteit rekening moeten houden.

Laten we ons nu de vraag stellen of er nog andere artistieke procedés zijn, waar we iets uit kunnen leren om ons klinisch werk te oriënteren.

Een eerste ander voorbeeld vind ik bij romanauteurs zoals Sándor Márai. Zijn roman Kentering van een Huwelijk is een in de literatuur onovertroffen werk waarin één bepaalde techniek tot het uiterste wordt uitgewerkt. Hij vertelt er het verhaal van een scheiding vanuit de verschillende perspectieven van drie hoofdpersonages: de heer, de dame en het dienstmeisje. In tegenstelling tot de techniek van Hitchcock krijgen we hier geen ‘ruimere context’. We krijgen geen meta-perspectief bij Márai. Wel biedt de auteur ons drie volstrekt andere perspectieven, die op den duur volstrekt tegenstrijdige verhalen opleveren. Márai confronteert ons met het ontbreken van een Absoluut en Garanderend Punt van waaruit deze ‘ruimere context’ beoordeeld zou kunnen worden. Márai toont ons aan dat dit meta-perspectief, dat het perspectief van De Waarheid zou zijn, uiteindelijk niet bestaat. Als ieder zijn ‘eigen’ waarheid heeft, bestaat De Waarheid dan nog? En kan men dit dan überhaupt nog wel ‘waarheid’ noemen?

Wat anders leert Márai ons dan dat we uiterst voorzichtig moeten zijn wanneer we spreken over patiënten en hun zogenaamde ‘stoornissen’? Ons oordeel blijkt immers altijd wel ergens een blinde vlek te bevatten. Het zet ons aan tot nederigheid. Mooi dat kunstenaars ons daartoe dwingen. Wat anders leert ons dit dan dat er fundamentele en onophefbare wanverhoudingen in de psychiatrie spelen waar we respectvol mee aan de slag moeten?

Ik breng hiermee evenwel geen slecht nieuws. In tegendeel. Het feit dat men bijvoorbeeld steeds meer belang toekent aan de mening van ervaringsdeskundigen, toont aan dat er een ruim draagvlak is om (ex-)patiënten in de besluitvoeringen te betrekken en dat hun stem zoals in de polyfone romans van Márai wordt opgenomen en gerespecteerd.

De artistieke procedés van Hitchcock en Márai in onze kliniek integreren, levert dus verdienstelijke en zelfs noodzakelijke resultaten op. Kunnen wij nog andere artistieke technieken toepassen in ons denken over psychiatrie? Ik stel mij nu een perspectief op psychiatrie voor dat affiniteit zou hebben met dat van de regisseur Michael Haneke. Een van Hanekes meest geliefde trucen is absoluut subversief te noemen. Het keert onze blik binnenstebuiten! In films zoals Funny Games en Caché laat Haneke het cameraperspectief soms minutenlang onbeweeglijk op een vast punt vasthaken, terwijl de personages zowel binnen als buiten het beeld bewegen. De toeschouwer wordt op die manier niet alleen passief gereduceerd tot een starende blik, het confronteert hem meer nog met de stem van de hoofdpersonages. Omdat de toeschouwer niet langer kan zien wat er gebeurd, wordt hij attenter voor wat hij off-screen hoort. Haneke slaat op deze manier een kloof tussen de blik van de toeschouwer en de stem van de acteur. In deze kloof wordt vervolgens een aanwezigheid opgeroepen. Wat daar voelbaar wordt is de meest obscene kant van het genot van de hoofdpersonages. En net omdat de cineast dit zo suggestief in beeld brengt – door het niet te tonen, wordt het aanwezig – kan de fantasie van de toeschouwer er bij inschieten. Omdat de toeschouwer nooit zeker is over wat er precies gebeurt, vullen zijn eigen fantasieën over het genot van de Ander deze leemte in.

Haneke lokt deze obscure fantasieën van de toeschouwer listig uit. Eenmaal die fantasie uitgelokt, laat Haneke op het hoogtepunt van het geweld een van de hoofdpersonage zich naar de toeschouwer wenden om die aan te spreken. Onvermijdelijk slingert dit procedé de toeschouwer de vraag in het gezicht wat hij in gewelddadig-seksueel entertainment zoekt. Het legt met andere woorden een pathologische gehechtheid van het subject aan zijn gefantaseerde object-van-genot bloot. Dat dit confronterend is, kunnen we afleiden uit de reacties van het publiek, dat geregeld uit voorstelling wegloopt. Ik durf te stellen dat zij die het minst de obscene keerzijde van hun genot willen kennen, het eerst uit de cinemazaal weglopen.

Wat kan Haneke ons dus leren over psychiatrie? Haneke leert ons een zeker wantrouwen te bewaren ten aanzien van onszelf – of correcter: ten aanzien van ons pathologisch genot. Voorbij de les van Márai dat ieder zijn eigen waarheid heeft en dat De Waarheid dus niet bestaat, leert Haneke ons dat ieder ook zijn eigen obscure genot heeft. En hij leert ons ook dat wanneer dit genot plots open en bloot komt te liggen, we met de angst geconfronteerd worden. Daarom vertrekt Lacans ethiek van de psychoanalyse ten allen tijde vanuit de vraag naar het verlangen van de hulpverlener. Dit brengt mij tot mijn derde stelling.

 

Stelling drie : Men moet zich altijd de vraag stellen over wiens ‘border’ het gaat.

Kunstenaars zoals Haneke slagen er in om een grens aan te duiden. Ze wijzen ons meer specifiek op een kloof tussen de blik en de stem. Op die grens duikt ons eigen genot en onze eigen fantasie op.

Wanneer wij nu het woord borderline in de mond nemen, dat letterlijk ‘grens’ betekent, dienen wij ons dan niet ten allen tijde de vraag te stellen over wiens grens het gaat? En wat daar exact op die grens verschijnt?

Ik probeer mij verder te verduidelijken. Twee Belgische kunstenaars Schellekens & Peleman maakten een zes meter hoge opblaasbare pop die op een bootje drijft. De pop stelt een vluchteling voor. “Inflatable Refugee” heet het werk. Deze opblaasbare vluchteling reist Europa rond. Hij is al opgedoken in Venetië, Kopenhagen, ergens in Zweden,… Telkens wanneer de pop opduikt komt in de schaduw ervan ook een lugubere vraag meegedreven: wat doen de Europeanen met de vluchtelingen die op hun grenzen verschijnen?

Degelijke onafhankelijke journalisten wijzen er ondubbelzinnig op dat de vluchtelingenstroom het gevolg is van een decennialange destabiliserende politiek en oorlog van het Westen en de VS in het Midden-Oosten.[9] In psychoanalytisch jargon gesteld: wat doet Europa met de symptomen van zijn eigen verdrongene? Schellekens & Peleman trachten op hun manier ons ingedommelde continent te sensibiliseren en te responsabiliseren door hun Grote Vluchteling als een storende vlek in onze schone landschappen te laten opduiken.

Hun kunst vind ik subversief omdat het stoort en verstoort. Het toont ons de terugkeer van het verdrongene in de westerse politieke ideologieën. Dergelijke kunst staat in schril contrast tot de huidige overvloed aan Zombie-films uit de popcultuur. Deze films doen niets anders dan deze perverse politieke ideologieën in de kaarten te spelen. Is het namelijk niet zo dat de uitbeelding van magere en uitgehongerde halfdoden de angst voor de noodlijdende medemens cultiveert door hem te ontmenselijken? En is het niet zo dat precies onze onmacht om die noodlijdende mens op te vangen, de obscene keerzijde van onze politieke programma’s blootlegt? Want over wiens vluchtelingencrisis gaat het tenslotte? De reguliere media nemen voor lief dat het Westen een vluchtelingencrisis heeft. Zijn het echter niet in de eerste plaats zij die vluchten voor oorlog en geweld die in crisis verkeren?

Terug naar onze borderline-thematiek. Dezelfde vragen kunnen gesteld worden wanneer onze patiënten in crisis zijn: over wiens crisis gaat het? En wiens grens wordt daarbij overschreden? Niet van de Zombie-films, maar wel van Schellekens & Pelemans leren we de ware gedaante van onze grenzen en onze crisissen kennen. De vraag over wiens grenzen en wiens crisis het gaat, moet dan ook altijd gesteld worden.

 

Stelling vier: Anna Karenina kan als paradigma gelden voor de borderline vrouw omringd door mannelijke therapeuten

We kunnen niet om de vaststelling heen dat er drie tot vier keer zo veel vrouwen als borderline worden gediagnosticeerd. Dit is geen toeval. Volgens mij is dit zelfs de essentie van de diagnose! Borderline is in de publieke opinie een vrouwenziekte. Daarmee is deze diagnose en de discussie rond het fenomeen niets anders dan een voortzetting én meteen ook een miskenning van de discussies rond de hysterie van weleer. Het toont aan dat de geschiedenis snel vergeten wordt.

Daarom vind ik het bijzonder interessant om mij te richten tot auteurs zoals Lev Tolstoj, die een pareltje uit de wereldliteratuur heeft neergepend: Anna Karenina. Waarom interesseert deze roman mij zo mateloos? Sommigen onder jullie hebben mijn analyse van de roman misschien in mijn laatste boek Wanverhoudingen gelezen. Ik zal die hele analyse hier daarom niet nog eens herhalen. Tolstoj’s Anna Karenina grijpt mij omdat het een bijzonder fijngevoelige gevalstudie is over hoe een vrouw met haar verlangen en dat van mannen worstelt. Meer dan dat nog grijpt de roman mij ook omdat deze geschreven werd nog vóór Freud zijn Studies over Hysterie schreef en nog vóór Freud zijn eerste dromen analyseerde en publiceerde. Tolstoj heeft de psychoanalyse niet nodig gehad om een dergelijke grootse roman op te stellen.

Wat kunnen we van Tolstoj leren over borderline? We leren hoezeer de vrouwelijkheid zowel voor de mannen als voor de vrouwen zelf problematisch kan zijn. We leren er hoe een vrouw zich in haar eigen vrouwelijkheid kan verslikken, en hoe de mannen rond haar niet bij machte zijn om haar voorbij dit punt te brengen, meer nog, hoe die mannen het probleem alleen maar erger maken, ondanks hun goede bedoelingen. De weg naar de hel is nu eenmaal geplaveid met goede bedoelingen.

Het verlangen van mannen zou volgens de stereotypen doorgaans niet zo’n groot mysterie vormen voor een vrouw. Ze zouden allemaal hetzelfde willen. Dat van vrouwen blijkt doorgaans een pak complexer. Anna Karenina getuigt daarvan, over hoe haar verlangen door haar eigen man wordt genegeerd – ze moet vooral niet te moeilijk doen – en hoe haar minnaar zich op den duur énkel nog met dat bizarre verlangen bezighoudt. De vraag naar wat ze nu ‘écht’ wil, die door minnaar in allerlei toonaarden wordt gesteld, is een vraag die haar werkelijk naar de grens van het draaglijke drijft. Daarop kan zij uiteraard niet antwoorden. Alsof het verlangen een duidelijk omlijnd object zou hebben!

Het volstrekt negeren van haar verlangen door haar man, het constante ondervragen van dat verlangen door haar minnaar, en haar eigen onmogelijkheid om dit constructief aan te kaarten, brengen haar steeds dichter bij haar uiteindelijke zelfmoord. De subtiliteit waarmee Tolstoj dit beschrijft is werkelijk bewonderenswaardig. Zo lezen we bijvoorbeeld op een gegeven moment tussen de lijnen door hoe Anna jaloers wordt op zichzelf. Zij begrijpt niet dat haar minnaar ondanks haar kuren nog steeds interesse voor haar blijft vertonen. Iets in haar moet dus wel aantrekkelijk voor hem zijn, zo redeneert ze. De vraag is alleen ‘wat’?

Tolstoj is bijna lacaniaanser dan Freud. Hoe subtiel toont hij niet aan dat de man een object in een vrouw zoekt dat zij uiteindelijk niet heeft, en hoe zijzelf zich dreigt te vernietigen wanneer ze er niet in slaagt om een losse verhouding in te nemen tegenover dit schijn-object dat ze voor een man is.

Lacan illustreert deze angstwekkende positie aan de hand van de paradox van Zeno, waarin een schildpad Achilles uitdaagt om een loopwedstrijd te houden. Achilles komt niet bij van het lachen als hij de schildpad zelfverzekerd hoort verklaren dat hij zal winnen wanneer hij tien meter voorsprong krijgt bij de start. De redenering van de schildpad is vrij bekend. Wanneer Achilles de tien meter gelopen zal hebben die hen van elkaar scheidt, dan zal hij, de schildpad, al een eind verder zijn. Tegen de tijd dat Achilles die afstand gelopen zal hebben die hen van elkaar scheidt, zal de schildpad alweer een eindje verder zijn, enzovoort tot in het oneindige. De afstand tussen hen beiden wordt weliswaar steeds kleiner, maar Achilles zal er nooit in slagen om de schildpad in te halen. In Encore stelt Lacan zich voor dat Achilles een man is die in het schildpadvrouwtje zijn object van verlangen heeft herkend en de afstand tracht te overbruggen die hen van elkaar scheidt. Hoe dichter de man de vrouw nadert, hoe angstiger hij zal worden, aangezien het hem steeds meer begint te dagen dat hij er nooit in zal slagen haar te bereiken en dat hij haar nooit volledig zal bezitten. De vrouw in kwestie raakt eveneens steeds meer overweldigd door angst, aangezien haar voorsprong steeds kleiner wordt om nog uit de positie van het object a te blijven. Zij wordt steeds feller gedwongen om het fatale gewicht van het verlangen van de man te dragen zonder daar nog onderuit te raken. Daarin schuilt een klinische les voor beide partners in een relatie. De man zal er nooit in slagen de vrouw volledig te bezitten. En wanneer een man te gehaast is om van een vrouw te genieten, zet hij haar vast in een positie die voor haar onhoudbaar is.

Daarnet zei ik dat ik het feit dat zoveel meer vrouwen de diagnose krijgen als de essentie van de diagnose beschouw. Het lijkt mij namelijk zo dat de diagnose in essentie een onvermogen verraadt om het verlangen in het algemeen en het vrouwelijke genot in het bijzonder een plaats te geven. Eerder dan het verder uitwerken van de diagnostiek van de borderline hebben we dus nood aan een weldoordachte theorie over het verlangen en het genot!

Therapieën die geen aandacht hebben voor de paradoxen van het menselijke verlangen en genot, neigen tenslotte altijd naar de ‘Alternatieve Therapie’ die met zo’n meesterlijke ironie door Arnon Grunberg werd beschreven in zijn recentste roman Moedervlekken.

 

Stelling vijf: James Joyce leert ons dat diagnoses het singuliere miskennen

Om te eindigen wil ik James Joyce er nog even bijhalen. Ik heb het perspectief dat de Ierse schrijver James Joyce ons biedt, uitgebreid besproken in mijn doctoraat over psychose, De namen van het genot, maar denk dat hij ons ook iets over diagnostiek in het algemeen kan leren.

Op een gegeven moment stelt Lacan zich de vraag of Joyce gek was. En inderdaad, wie Finnegans Wake openslaat, zal daar een ondoorgrondelijke woordkramerij vinden. Het effect op de lezer is dat die er niets van zijn eigen onbewuste in terugvindt. Lacan beantwoordt de vraag of Joyce gek was niet, maar zijn hele analyse van de schriftuur van de man suggereert dat hij aan een vorm van psychose dacht. Daar wil ik het nu niet over hebben. Wat ik er uit wil halen is het volgende. Zouden we niet kunnen zeggen dat Joyce ons diepgaand confronteert met de zinledigheid van onze eigen woordkramerij? Toegegeven: onze woordkramerij is opgenomen in een gedeeld discours. Dat geeft ons het gevoel dat we niet waanzinnig zijn. Maar confronteert Joyce ons niet net met een punt van waanzin in elke talige constructie? Joyce ontmantelt onze neurotische wereld door simpelweg te wijzen op de manier waarop de wereld een talige constructie is en hoezeer de mens van zijn talige constructies geniet. Wat zou Joyce ons dus kunnen leren over borderline? Hij zou ons kunnen leren dat het in de eerste plaats slechts een woord is, dat in het leven werd geroepen om iets dat we niet begrijpen te benoemen zodat we ons er tegen kunnen verdedigen, en dat die benoeming in wezen zélf de waanzin is die ze tracht te bestrijden. De psychoticus is voor deze dimensie van de taal net veel gevoeliger voor dan de neuroticus.

Doordat Joyce met Finnegans Wake de taal uit elkaar tracht te timmeren, heeft hij volgens Sollers het meest antifascistische boek geschreven dat denkbaar is. Wat zou Joyce over borderline te zeggen hebben? Misschien maakt hij er wel zoiets van :

Borderline?

Bore the line!

Bord ear lie, nè nè nè!

Ik voeg er zelf nog aan toe, de eigen referenties van Joyce gebruikend, dat zijn schriftuur bij uitstek een cynische act is. Net zoals de cynicus Diogenes Laertius zet ook Joyce de grote ‘folisofen’ in hun hemd. Net zoals de publiekelijk masturberende Diogenes de grootst denkbare horror is voor de klassieke filosofen, die alles in de ‘logos’ trachten te assimileren, is Finnegans Wake de grootst denkbare horror voor de gedragswetenschapper, en waarom niet: voor de freudiaanse psychoanalyticus. Het is ten slotte veel moeilijker om joyciaan te zijn dan freudiaan. Met mijn gehakketak van de ene kunstenaar naar de andere, van Hitchcock en Márai over Haneke en Tolstoj naar Joyce, wil ik jullie dus in feite uitnodigen om joyciaan te worden. Voldoende voeling hebben met de waanzin die door de taal zelf wordt geproduceerd, strekt een analyticus tot aanbeveling.

 

Tijd om af te ronden

De kliniek die Lacan aan de hand van Joyce uittekent, gaat voorbij elke diagnostiek. Daarom stelde hij zich in zijn seminarie luidop de vraag “Was Joyce gek?” – Joyce, était-il fou? – zonder die vraag te beantwoorden en zonder Joyce te diagnosticeren. Lacan laat hier elke mogelijke onderverdeling in diagnostische hokjes achterwege. Hij richt zich daarentegen op wat het meest singulier is bij het subject: zijn meest singuliere probleem én de meest singuliere oplossing die het daarvoor gevonden heeft.[10] Ik hoor nu vaak mensen zeggen dat de lacaniaanse school door de categorie ‘psychose ordinaire’ in het leven te roepen, dit zelf teniet heeft gedaan. Maar dan moeten we toch eerlijkheidshalve toegeven dat men in die School intussen al heel wat verder staat dan dat. Eric Laurent verklaarde onlangs nog dat het laatste onderwijs van Lacan een terrein opent dat absoluut voorbij elke diagnostiek – te weten het onderverdelen in universele categorieën – ligt. Het is een terrein dat ver voorbij dat van de zogeheten “ordinaire psychose” gaat.[11] Dat terrein noemt Lacan – voorbij alle diagnostiek – dat van het ‘sinthoom’. Kort gesteld komt dat op het volgende neer.

Lacan ging er van uit dat een analyse die tot zijn einde wordt doorgevoerd het symptoom nooit volledig elimineert. Geen mens zonder symptoom. Zelfs als de analyse dat symptoom zeer grondig kan wijzigen, blijft aan het einde steeds een levendige reële kern bestaan waar het subject zijn plan mee moet kunnen trekken. Het moet een manier vinden om daar mee om te gaan. Dat eindproduct van een analyse, noemt hij dus een sinthoom. Het is wat het meest singuliere aan elk subject is. Deze theorie roept psychoanalytici meteen ook op tot een vorm van nederigheid. Het reële kan men niet uitroeien, men moet daarentegen telkens opnieuw aan de slag gaan met dat reële.[12]

[1] Žižek, S. (1992). Everything you always wanted to know about Lacan, but were afraid to ask Hitchcock. London, Verso.

[2] Lacan, J. (2006 [1971]). Le Séminaire, Livre XVIII, D’un discours qui ne serait pas du semblant. Texte etabli par J.-A. Miller , Paris, Seuil.

[3] Lacan, J. (1975 [1972-1973]). Le Séminaire, Livre XX, Encore. Texte établi par J.-A. Miller, Paris, Seuil, 127.

[4] Jonckheere, L. (1993). Borderline. Psychoanalytische perspectieven 18, 81-98.

[5] Vanderveken, Y. (2016). Naar een veralgemening van de kliniek van de discrete tekens. KringOnline 1, 7.

[6] Zie de conclusies van mijn doctoraat in Geldhof, A. (2014). De namen van het genot. Lacan over jouissance en psychose. Leuven, Acco.

[7] Rilke in een persoonlijke mededeling aan Stefan Zweig [Zweig, S. (1990). De wereld van gisteren. Herinneringen van een Europeaan, Amsterdam, De Arbeiderspers, p. 144].

[8] Zie ook Vande Veire, F. (2015). Tussen blinde fascinatie en vrijheid. Het mensbeeld Slavoj Žižek. Nijmegen, Vantilt, p. 9.

[9] Zie het recent gepubliceerde boek van Ludo De Brabander, Oorlog zonder grenzen.

[10] Cfr. Geldhof (2014). De namen van het genot. Lacan over jouissance en psychose. Leuven, Acco, 193-215.

[11] Laurent, E. (2015). Entretien avec Eric Laurent, l’inconscient et l’événement de corps. La cause du désir 91, 22.

[12] Cfr. Miller, J.-A. (2015). En deça de l’insconscient. La cause du désir 91, 98.

Ce message est également disponible en : Frans

%d bloggers liken dit: