Mileen Janssens, Fragmenten en verbindingen in taal en teken: iets over semiotiek en autisme

V fr : FRAGMENTS ET LIAISONS DANS LA LANGUE ET LE SIGNE : À PROPOS DE SÉMIOTIQUE ET D’AUTISME
Conférence à l’École Belge de Psychanalyse par  Mileen Janssens – trad Ria Walgraffe-Vanden Broucke

« Pourquoi l’univers est-il précisément un cosmos, un tout organisé et cohérent ? Pourquoi l’univers, qui pourrait n’être qu’une suite de faits incohérents fait-il monde ? Pourquoi et comment existe-t-il ?

En termes gombrowiczien, pourquoi est-il possible de voir des constellations dans le ciel, plutôt que des étoiles isolées, les unes après les autres, sans lien les unes avec les autres ?

A cette question, Kant a répondu : parce que nous sommes capables de les relier entre elles, dans un même plan (l’espace), dans une même durée (le temps). Nous sommes capables de voir Véga à côté d’Aldébaran. Il y a en nous, un pouvoir de relier les choses entre elles. » (Mark Alizart, 2001)

Kan men kinderen met autisme middels psychotherapie helpen om de stap te maken naar symboolvorming? Dat is mogelijk wanneer men bij hun behandeling aanvaardt dat om autisme te begrijpen we een andere logica dienen te hanteren, een “die weliswaar hemelsbreed mag verschillen met de ons bekende logica, maar die zonder ooit met zichzelf in strijd te zijn tegelijkertijd een verklaring moet geven van de voorstelling op het volgende moment en op alle voorafgaande” (een parafrase van Kousbroeck, p. 261). Ingrediënten voor deze logica vinden we in de toepassing van de semiotiek van Peirce op autisme en kinderpsychose door Pierre Delion.

We willen een en ander in deze tekst anekdotisch illustreren via enkele voorbeelden in de literatuur.

fragmenten in verbinding… : Kousbroek en Gombrowicz

Vincent kon zich die zaterdagavonden nog goed herinneren. Hij mocht dan altijd zijn vaders nagels verven, terwijl zijn moeder voorlas uit Les malheurs de la vertu aan zijn zusje. Ach dat waren gelukkige tijden geweest! Maar wat was nu de sleutel? Nadat hij lange tijd had nagedacht kreeg Vincent een ingeving. De sleutel lag in de nagel: de Guide Nagel! Hij moest op reis en de Guide Nagel zou hem de weg wijzen. De wereldbol (…), de landkaarten op de tafel, de reisgids op het krukje, dat waren duidelijke aanwijzingen. Maar waarvan waren die kaarten? Hoe hij zich ook inspande, hij kon niet zien wat er op stond. En die scheur in het kamerscherm? Wat betekende die? Die nacht kon Vincent de slaap niet vatten. De scheur in het kamerscherm, dacht hij, dat was duidelijk; het kon maar één ding betekenen: Brussel. Maar hoe zou hij zijn vader moeten vinden in die grote stad?” (p. 16)

In “Vincent en het verhaal van zijn vaders lichaam”, verzint Rudy Kousbroek een verhaal bij elkaar met behulp van prenten die niets met elkaar te maken hebben en die hij toevallig in zijn bezit heeft. Deze prenten vormden naast zijn vaderschap van een klein dochtertje de omstandigheden die hem ertoe aanzetten een verhaaltje voor het slapengaan te maken. Aangespoord door de niet aflatende detailvragen van het meisje ontwikkelt hij een verhaal waarin alle details van de prenten een betekenis krijgen die in verband staat met de details op de andere prenten. Later werkt Kousbroek dit uit tot het genoemde boek. Hij stelt zichzelf maar één voorwaarde, namelijk dat “voor elke gebeurtenis, voor ieder detail dat op een gravure te zien is, een verklaring moet bestaan die niet in tegenspraak mag zijn met de loop van het verhaal of met een eerder gegeven verklaring. Het gaat anders gezegd om het vinden van een logica – een logica die weliswaar hemelsbreed mag verschillen met de ons bekende logica, maar die zonder ooit met zichzelf in strijd te zijn tegelijkertijd een verklaring moet geven van de voorstelling op de volgende gravure en op alle voorafgaande.” (…) “Hoe ontstaat dan de logica die maakt dat zo’n detail verderop een belangrijke functie blijkt te hebben of zelfs de verklaring blijkt te zijn van iets dat tot dan toe onbegrijpelijk was?” (in: Kousbroek, Rudy. Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam, 1981, Uitg. De Bezige Bij, p.261)

Een meester in het vinden van contiguïteiten van schijnbaar losse dingen is Gombrowicz. Waarom zien we zelf niet dat de dingen naar elkaar verwijzen, dat ze verwant of zelfs gelijk “zijn” of door andere werkwoorden met elkaar verbonden zijn?

Een voorbeeld.

Dat beviel me niet. Merkwaardig, toen die adelaar, of die sperwer, boven alles uitschoot, had me dat moed gegeven, en wel hierom (dacht ik) omdat hij, als vogel, zich betrok op de mus – maar ook, en misschien meer, omdat hij in de lucht bleef hangen, op deze wijze de mus met het hangen verbindend en het mogelijk makend in de idee van het hangen de opgehangen kater met de opgehangen mus te verbinden, ja ,ja (ik zag het steeds duidelijker), hij verleende de idee van het hangen zelfs een dominerend karakter, koninklijk, boven alles hangend… en als het me lukte (dacht ik) die idee te ontcijferen, de rode draad te ontdekken, te begrijpen of tenminste te voelen waar het heen ging, al was ’t alleen maar in de sektor mus-stokje-kater, dan zou het me makkelijker vallen een oplossing te vinden voor de monden en alles daaromheen. Immers (ik probeerde het raadsel op te lossen), er bestond geen twijfel aan ( en dat was een smartelijk probleem) dat het geheim van de verbinding van de monden ikzelf was, in mij was die verbinding tot stand gekomen, ik en niemand anders, had haar gekreëerd – maar (attentie!) door het ophangen van de kater had ik me (ja? Tot op bepaalde hoogte?) bij die groep van de mus en het stokje gevoegd, ik hoorde dus tot beide groepen – volgde daar dan niet uit dat het verbinden van Lena en Katasia met de mus en het stokje zich alleen door mij voltrekken kon?(enz.)” Gombrowicz, Kosmos, 100-101.

Gombrowicz, die zichzelf “een ontcijferaar van dode natuur” noemt (Kosmos, p. 98), beschrijft de uitputting die deze beleving van contiguïteiten teweegbrengt: “Zozeer had de wanorde mij uitgeput. En hier in het azuur een koninklijke vogel, – , door welk wonder is dit verre punt dominerend geworden als een kanonschot, hebben chaos en verwarring zich aan z’n voeten gelegd (…). Die verdween (…) ons weer achterlatend in het razende spektakel van de bergen.” (Kosmos, p. 98)

Ik was geabsorbeerd, maar door iets anders dat geen lichaam had (…)” ((Kosmos, p. 93)

ontmanteling: Meltzer

Wie met autistische personen werkt herkent wellicht bepaalde zaken: het zich met de blik vastklampen aan een licht aan het plafond als defensie tegen de uitputting door de wanorde van het “pure nature” van ongebonden, ongetransformeerde prikkels; het niet-geheel dat absorbeert. De equatie waarin men zich verliest (het reduceren – of moeten we zeggen afbreken – van verschil naar gelijkheid) in plaats van plaats te maken voor equivalentie (het opwaarderen van verschillen naar gelijk[w]aardigheid). Beschrijft Gombrowicz hier geen proces van adhesieve identificatie met delen van dingen die samen geen lichaam hebben of vormen, wat kan leiden tot een gefragmenteerde identiteit als toestand, zoals we dit bij autistische personen zien? Gebeurt er iets analoogs als autistische kinderen plots over dingen spreken die “niets” met de context te maken hebben, althans voor wie het niet ziet? Dit is wat D. Meltzer aanduidt met “ontmanteling”.

  1. (12 jaar, autistisch) komt voor het eerst in mijn bureau, met zijn beide ouders (die al een hele tijd komen). Hij gaat in de middelste zetel zitten, tussen zijn beide ouders en kijkt vooral naar vader, rechts van hem. Hij raakt enkele keren met enkele snelle bewegingen de armleuning van vaders stoel of diens arm aan. Na een tijd zit hij hand in hand met beide ouders en streelt hij vooral vaders hand en duim en “plonst” zijn blik in de mijne. Hij tracht vaders duimpunt en de punt van zijn wijsvinger met elkaar een gesloten cirkel te laten maken. Moeder tracht haar hand los te maken, maar lijkt geen weerstand te kunnen bieden tegen de claimende hand van haar zoon. Vader en zoon zitten regelmatig, de blik verloren in elkaar, elkaar langdurig aan te kijken. Ik denk aan het houten treintje dat ik had klaargezet en zet de doos dichterbij. Ik zeg dat ik aan de treinspoortjes dacht toen ik hen zo hand in hand zag zitten, als een lijn die verbonden is – en ik schets de lijn van de armen voor mij in de lucht. De jongen maakt zich los, de ouders zeggen giechelend dat hij voor dat treintje te groot is. Ik zeg dat je dat ook met elkaar kan verbinden. De jongen maakt zich los van tussen zijn ouders en maakt een treintje met de locomotief in ’t midden en links en rechts ervan twee wagonnetjes. Volgens de ouders is hij normaalbegaafd. Hij speelt het volgende halfuur met het treintje dat hij langs de rand van het tapijt laat rijden, het gezicht tegen de grond (oor tegen de houten vloer, waardoor hij via botgeleiding het geluid kan horen alsof het iets is dat in zijn lichaam gebeurt. Het oog zo laag mogelijk zodat hij de trein uitvergroot ziet.) Moeder vertelt in dezelfde sessie dat hij de letter “l” goed uitsprak tot het moment van zindelijk-worden op acht jaar. Om de “l” uit te spreken klikt hij nu de tong los van het verhemelte en ontsnapt er lucht uit zijn neus. Ik had me al afgevraagd of hij een open verhemelte had. Sinds de overgang naar het middelbaar onderwijs eraan komt heeft hij opnieuw hevige braakangst. Moeder zegt dat hij een deurtje in zijn lichaam zou moeten hebben waarlangs hij het eten er zelf uit kan halen, in plaats van door te braken. Ik voel me verbaasd en denk “en de anus dan”? L. vraagt hoe de muizen hun holletjes in de plinten maken. Moeder denkt terug aan de pijnlijke geboorte en hoe baby L. compleet verstijfd van angst geboren werd en hij pas langzaam ontspande. V. zegt dat zijn hele leven (van L.) een repetitie is van zijn geboorte. Ik vertel hoe het kan aanvoelen om geboren te worden, welke zintuiglijke indrukken er dan allemaal op de baby afkomen. L. luistert aandachtig en speelt dicht tegen mij aan.

De ouders vertellen, anekdotisch. Het kind speelt, “op ’t goed valle het uit”. Ik verbind in mijn therapeutenrol flarden spel, veronderstelde waarnemingen van het kind en woorden of zinnen van de aanwezigen, met tegenoverdrachtelijke indrukken en observatie als hulpmiddelen: “Il (Bion) étend cette fonction d’attention au monde intrapsychique. C’est grâce à elle que les éléments du psychisme qui spontanément tendraient à s’éparpiller, peuvent se rassembler en un creuset commun, se lier entre eux et prendre sens. Mais, pour cela, le nourrisson dépend de l’attention qui lui est portée. On pourrait dire que l’observation des bébés consiste à porter attention aux parents qui portent attention à l’enfant. » 1

Betekenen/ bemantelen

Bij autistische kinderen lijkt alle logica zoek zowel in wat ze doen als in wat ze laten. Omdat er geen subject is dat zijn verbindingen kan duidelijk maken, maar enkel kan tonen, door een blik bijvoorbeeld, een gedrag, een stereotypie, heeft de ander nauwelijks aanknopingspunten om het kind te verstaan, tenzij de kwaliteit van de blik begrepen wordt als – bijvoorbeeld – een teken van [een ontbreken van “gedeelde”] “aandacht”, het gedrag als het zoeken van een plaats in het balanceren tussen vastplakken of in de diepte vallen, een stereotypie als het vinden van een intense gewaarwording die afleidt van de turbulente en beangstigende beleving. De autistische mens leeft met andere dan de ‘normale’ referentiekaders, die bovendien wisselen zonder herkenbaar patroon. Wat voor ons luid is horen ze niet. Wat nauwelijks waarneembaar is overspoelt en ontreddert hen. Soms wel, soms niet. Daarom is het moeilijk of onmogelijk zich in te leven in hun gevoelsleven, wat een aanslag is op ons eigen gevoel van beheersing van de wereld rondom ons, waar de ander deel van uitmaakt.

Betekenen van het onbeduidende

Pierre Delion (2000, 2007) zoekt een logisch systeem dat elementen biedt om de schijnbaar willekeurige en toevallige, onbeduidende “uitingen” van autistische kinderen te zien als tekens, om zich te laten verrassen door “het toeval”, het – (sema)forisch – mee te nemen naar de “hernemingen”( = besprekingen) van therapie, atelier, om het samen met een groep anderen metaforisch uit te werken. Soms verschijnen er brokken levensverhaal waarin het duidelijk wordt waarom “de scheur in het kamerscherm” “natuurlijk” verwijst naar Brussel en waarom de geverfde nagels van vader Vincent op het spoor zetten van de Guide Nagel die uiteindelijk de meneer Nagel blijkt te zijn die reisgids is.F

Een voorbeeld van Delion is dat van een jongen die als eerste woord “na” zijn mutisme “ala” spreekt en herhaalt:. wanneer Delion aan de moeder vraagt of dit “ala” haar iets zegt, iets oproept bij haar, zegt ze ontroerd dat haar zoontje, als baby, enkel te troosten was met het liedje “à la claire fontaine”.

Kousbroek slaagt er in een verhaal te maken dat quasi enkel door de logische opbouw steek houdt.

Maar gaat het er enkel om bij autistische kinderen de bouwstenen te begrijpen en een verhaal te maken zoals Kousbroek doet, waarin voor disparate elementen een contiguïteit wordt geconstrueerd in een verhaal, door een therapeut, door een team?

Lies- autistisch en normaalbegaafd – pakt een stuk play-mobile, een verbindingsstuk van een kasteel en gooit het op het rek waar het kasteel in stukken en brokken ligt. Ze fluistert “papa”. Even later pakt ze bakken constructiemateriaal en schikt die als een muur rond de zetel waar ze zit. “Ik ga iets maken. Papa gaat helpen”. Op het einde van de sessie tekent ze op het bord, zo dat ik niet kan zien wàt ze tekent. Ze zegt mij dat ik een eindje van haar moet gaan staan. “Jij bent de papa. Je vraagt je af waar Lies en mama zijn”. Voordien kwam papa nooit ter sprake. Enkele weken geleden bracht ik hem ter sprake: “Je papa begrijpt misschien niet goed waarom je hier komt, maar hij is wel akkoord dàt je komt.”2 (omdat ze de ambivalentie van haar vader had aangevoeld). Zoals vaak komt de echo veel later.

Een vader als een optelsom van functies, rollen en posities die met elkaar worden verward, als in een slecht functionerende institutie.

Volstaat het te komen tot een verhaal waarin disparate gegevenheden met elkaar in verband worden gebracht of doet men hier aan overinterpretatie ? Is het de constructie van het verhaal op zich, die maakt dat een autistisch kind beter wordt of zijn er werkelijk verbanden tussen vaders nagel, de Guide Nagel en meneer de reisgids Nagel? Dit is de vraag over hoe psychoanalyse werkt en of en hoe ze werkt in het geval van autisme. Delion roept het begrip “narrativiteit” van Ricoeur in 3. Hij toont aan dat we de logica van het autisme en de psychose niet kunnen verstaan met het logisch systeem van de normaliteit, lees de neurose. Er is een andere logica nodig om iets bij te dragen tot een beter inzicht in de communicatie van autistische kinderen, van comateuze patiënten, tussen ouders en baby’s. Delion, Michel Balat en anderen vonden deze logica in het logisch systeem van Peirce (semioloog en wiskundige, “Aristoteles-gelijk”4). “…de Peirciaanse linguïstiek is als bron van de stroming van de dynamische en subjectale linguïstiek doeltreffender om het semiotisch systeem-in-wording te onderzoeken dan voor een geïnstalleerd semiotisch systeem.” 5 (Bernard Golse in Delion, 2007).

Wat zo belangrijk is bij de toepassing van de semiotiek van Peirce in de analyse van de zijnswijze van autistische kinderen, is dat zijn semiotiek niet enkel een werktuig is om de aard van andersoortige tekens te begrijpen, maar ook om de gehele complexiteit van het fenomeen van de semiose in kaart te brengen, waardoor we de communicatie van autistische kinderen als een soort hologram kunnen bekijken.

Delion vindt in het semiotisch systeem van Peirce een ingang om tot een analyse te komen van de communicatie van autistische mensen. Essentieel is dat Peirce een triadisch semiotisch systeem heeft uitgewerkt waarin hij drie categorieën, zijnswijzen – registers van zijns”kwaliteit” – van het teken onderscheidt (eerstheid, tweedheid, derdheid), die in relatie brengt met drie elementen, aspecten van het teken. (representamen, object, interpretant) en met drie soorten tekens (icoon, index, symbool).

Wat voor autisme van belang is, is de categorie van de eerstheid, het zijn van de positieve kwalitatieve mogelijkheid, gesitueerd in het pre-objectale, het eendimensionale, waar de gewaarwording, het contact, het ritme heersen. Daarnaast zijn er de tweedheid waar het eerste zich incarneert, in een lichaam, in een feitelijkheid, een gebeuren, een ding; en een derdheid, het zijnsregister waarin de twee andere zijnscategorieën bemiddeld worden. Er is de “katheid”6 van het eerste register, die geen plaats heeft in ruimte en tijd, er is mijn unieke Kat die mij fascineert en begeestert in het tweede zijnsregister. De wetmatigheid waardoor Mijn Kat ook maar een kat is maakt dat ik mij uit mijn beheksing door haar perfecte lijn en bewegingen moet kunnen losmaken om haar te voederen en vlooienbandjes aan te doen om het beest in huis te kunnen houden. Het derde register , dat van de geordende algemeenheid, maakt inferentie en voorspelling mogelijk.

Een voorbeeld uit de literatuur: Witold Gobrowicz beschrijft in zijn romandebuut Ferdydurke (1937) de slaapkamer van de ouders van de lyceumstudente, icoon van de moderniteit. Hij vindt de kamer afstotelijk, maar weet niet waarom. “Standaardisering? Filisterdom? Burgerlijkheid? Nee, dat was het niet. Maar wat dan? Ik stond daar zonder de formule van die wansmaak te kunnen vinden, ik miste de woorden, de gebaren, de daden waarmee ik die onbegrijpelijke wansmaak had kunnen vangen. (…) En wat was deze slaapkamer? Een utopie. Waar was er hier plaats voor het geronk en gesnurk dat de mens in zijn slaap laat horen, voor de zwaarlijvigheid van mevrouw, voor de baard van mijnheer Jongmens, die weliswaar geschoren werd, maar daarom in potentia niet minder bestond? De ingenieur was toch baardig, ook al gooide hij zijn baard elke dag met de scheerzeep in de wasbak – en deze kamer was geschoren. Eens vormde het ruisende woud de slaapkamer van de mensheid, maar waar was in deze heldere kamer, temidden van de handdoeken, plaats voor geruis, duisternis, de zwartheid van het woud? Hoe armzalig was toch die netheid – hoe benepen, lichtblauw, onverenigbaar met de kleur van de aarde en van de mens.” 7 Vervolgens vult de hoofdpersoon de kamer met zijn dans. “Toen ik de handdoeken van de Jongmensen, hun pyjama’s, crèmes, bedden en andere voorwerpen met een dans had vereerd, trok ik me snel terug en deed de deur achter me dicht. Ik had hun modern interieur volgedanst! Maar verder, verder, nu de kamer van de lyceïste, nu die voldansen en besmetten!”

Ook in de ontmoeting met het autistische kind heeft men de indruk voor of in een lege kamer te staan in de betekenis die Gombrowicz er aan geeft: er is enkel datgene wat de zintuigen waarnemen, waar ze zich naar buiten richten. Of beter gezegd waar de buitenwereld hen aan de buitenkant beroert. En de kolossale angst vanbinnen. Zij zoeken in de ander het zintuiglijk contact, bij voorkeur met de proximale zintuigen, hoewel ook de blik een niet te miskennen aanwezigheid is in hun manier van in contact treden. De blik die echter verwijst naar de nabijheid, naar het orale. Een schilderij van Nedjar illustreert dit: een romp met hoofd. Het gezicht weergegeven door de starende ogen en een vermoeden van mondhoeken. Binnen de ruwe contouren van de romp is er een herhaling van dit gezicht: de gezichtsomtrekken, de starende ogen op de plaats van de tepels, op de plaats van de mond een vermoeden van mondholte. Aan weerszijden van het hoofd twee vogels met hun snavels in de gehoorgangen. De ervaring van intrusiviteit van geluid, blik en tepels zoals dit o.a. door Tustin werd beschreven vindt hier een artistieke illustratie. Dit vraagt om een kort intermezzo om het daaropvolgende klinisch voorbeeld beter te kaderen.

Intermezzo:

Het proces van identificatie gebeurt bij autistische en psychotische kinderen anders dan bij neurotische kinderen. Tustin spreekt van adhesieve identificatie. Meltzer (in Delion) voert het begrip adhesieve identiteit in: volgens hem kan er maar sprake zijn van identificatie als er een subject-object onderscheid is wat niet het geval is bij autisten. (Er kan maar sprake zijn van identificatie als er een subject is “dat tegenover een object staat dat hem in het gezicht kijkt” (Maldiney, Delion 2009 p. 9). Het vermijden of verhinderen van oogcontact, het steken in de ogen, het verbieden van de blik van de ander bij sommige autistische kinderen (“kijk niet!!” = blijf buiten, doorboor me niet is verschillend van “kijk niet!! = kijk”!! Of van “kijk naar mij kijk niet kijk dan kijk niet”): een ontkennen/willen vernietigen van het bestaan van het object, of van het onderscheid zelf-ander, om een bestaan in enkelvoud te behouden, niet als intentioneel gebeuren maar als feit. De taal van de blik van autistische kinderen is een symptoom van hun moeilijkheid met identificatie en (ver)hindert die. Volgens Tustin is er op een te jonge leeftijd een plots besef als een blikseminslag van het feit van de ander gescheiden te zijn, op een moment dat het babybrein of beter zijn psychisch apparaat nog niet klaar is om dit te kunnen verwerken. Het zich in angst terugtrekken in een autistische onbereikbaarheid is er een gevolg van. Het niet kunnen symboliseren van afstand en gescheiden-zijn een derivaat (“kom hier staan, nee niet nààst mij hier waar ik sta” ).

Klinisch voorbeeld

Tijdens een opleiding in het Centrum voor autisme was me de verantwoordelijkheid toegewezen van een elfjarige jongen, Boris (zijn naam is verzonnen). Men had me gewaarschuwd dat deze jongen het soms op de borsten van vrouwen had gemunt. Tijdens de voorbereiding van een “oefening” (in het kader van een TEACCH opleiding) stond hij op een tiental meter van mij. Ik zag dat hij zijn ogen gefixeerd hield op mij en plots, met zijn armen en handen uitgestrekt en op mijn borsten gericht, aan kwam rennen. Instinctief sloeg ik mijn twee handen voor mijn gezicht en draaide mijn hoofd om. De jongen stopte hierop abrupt vlak voor mij en liet zijn handen zakken

Misschien is de therapeut die met een autistisch persoon werkt, een choreograaf omheen de tekens die hij opvangt, van de inscripties van partiële objecten die de autistische mens aan zich (aan zijn lichaam, aan zijn huid) verzamelt om een gehavende identiteit te construeren en helpt die dans om het middelpuntvliedende karakter ervan af te remmen. Meerdere auteurs geven aan dat men zich moet laten meenemen in de turbulentie van de autistische patiënt. Als therapeut van een autistisch patiënt leen je als het ware je psychisch apparaat met al zijn tekorten maar ook vooral met al zijn begrenzing, uit aan de patiënt. Dit volstaat vaak niet.

bemannen en bevolken van afwezigheid

Voor Delion is de kwestie van de institutionele organisatie en onthaal essentieel in zijn werk:. De moeilijkheid om te communiceren bij autistische kinderen – in de plaats van een transitionele (speel)ruimte is er bij hen een niemandsland – vraagt een heel speciale benadering waar de groep van het team een belangrijke plaats inneemt. Forische, semaforische en metaforische functie, overdracht en tegenoverdracht krijgen een aparte betekenis in het werk met autistische en psychotische mensen die anders verdwalen in de adhesieve en de projectieve identificaties.

De historiciteit is niet zichtbaar in de tekens van autistische mensen en doet daarom ook bij de aanwezige anderen geen beroep op een vanzelfsprekende historiciteit . Het is wanneer zij hun functie van “reservoir” uitoefenen dat er een tijdsbegrip wordt geïntroduceerd, om geen lege kamer te blijven. Het begrip reservoir8 (eerder misschien dan containment) verwijst naar het bewaren in functie van een later moment. Het “ontvangen” en “in verzekerde bewaring houden” van de semiose moet dan ook overdacht en geconstrueerd worden. Delion doet dit in zijn uitwerking van de forische, semaforische en metaforische functie van de teamgroep; drie onafscheidelijke functies die kunnen maken dat het teken een betekenis krijgt, in en door een (her)socialisatie ervan.

Wanneer een ontvanger ahistorisch aanwezig zou zijn, al dan niet als weerwoord, als antwoord op een reële of vermeende ahistoriciteit van het autistische kind, van een kwetsbare baby, bestaat het risico van een verder gestoord verlopend(e) contact en communicatie.

Delion zoekt of er in de manier van zijn van autistische kinderen (delen van) tekens te onderscheiden zijn die in een andere zijnscategorie te situeren zijn dan de gebruikelijke (bij neurotici).

Zijn hypothese is dat de tekens die een autistisch kind gebruikt, op iconische wijze naar een object verwijzen, en niet “aanwijzend” (indicerend) of symbolisch. En dat de tekens die een psychotisch kind9 gebruikt op indicerende wijze naar het object verwijst en niet iconisch of symbolisch.

Daarop laat hij aansluiten dat er bepaalde “psychische” functies in een team belangrijk zijn. Deze kunnen pas tot volle bloei komen in een instelling die geconcipieerd wordt in termen van een institutionele werk- en denkwijze. Hij noemt deze functies de forische, semaforische en metaforische functies. Deze functies schuiven als het ware over de iconische en indicerende bestaans- en communicatiewijzen van autistische en psychotische kinderen. Het zijn functies die zelf in een niet-geactualiseerde vorm blijven “zweven” tenzij er zich, o.i.v. de “institutionele tablatuur”10 mogelijkheden voordoen om de “mogelijkheid” op te waarderen. Hij beschouwt deze functies als mogelijkheidsvoorwaarden voor de communicatie van het autistisch kind. Dan kan een gewaarwording door de forische functie – in de actualisering van een aanwezigheid, van een samenzijn met het kind – een beeld worden. Door de semaforische functie kan een beeld – door de actualisering van bijvoorbeeld een observatie, of een andere vorm van “gerichte aandacht” – een diagram worden (waar analogieën in structuur duidelijk afgelijnd worden). Door de metaforische functie kan in de actualisering van een vergadering – waarbij gebeurtenissen “hernomen” en verbonden worden – een diagram een metafoor worden

En het “object” waarnaar de representeringen iconisch, indicerend, symbolisch verwijzen?

Delions analyse gaat niet alleen over de iconiciteit als grondvorm van de autistische communicatie. Het raadsel betreft niet alleen de aard van het teken, maar ook het object ervan. Volgens Delion verwijzen iconen naar archaïsche angsten, die niet verwijzen naar toestanden in de buitenwereld, maar naar een innerlijke “beleving” geen geheel te vormen.

En het geheim van Vincents vaders lichaam?

Vader:

De graviteit van mijn arm was in de aviditeit van mijn buikholte getrokken. Een geval van generatio equivoca.

Wat betekent dat, vader? Vroeg Vincent.

Heel eenvoudig: ik was zwanger.

Zwanger? Riep Vincent, hoe is dat mogelijk?

Dat vroeg ik me ook af, zei Vincents vader, maar er was iets waar ik nog veel meer over in zat, en dat was: hoe moest het eruit? […] Hoe moest ik verlost worden?

[…] maar als het er nergens uit kon, hoe was het er dan in gekomen? […]

En vader vertelt dat het te maken had met helderziendhied (“dat wil zeggen in staat om iets in iemand zijn hoofd te laten ontstaan, een gedachte die er eerst niet was”), met “Wollstonecraft, de kunst om wensen in werkelijkheid te veranderen” en met de uitdrukking: “de wens is de vader van de gedachte – zo beviel ik van een welgeschapen dochter. Dat is een vreemde sensatie hoor! Een lichaam van het andere geslacht dat uit je eigen lichaam komt.”

Vincent komt tot de conclusie dat hij dus een baarvader heeft.

Het wonderlijke verhaal eindigt dus interessant. Er is geen oerscène nodig voor de verwekking van een kind. De vader kan, enkel door zijn wens, een kind laten ontstaan in zijn eigen lichaam, dat dan ook nog eens van een ander geslacht blijkt te zijn, en aldus de twee geslachten herbergen in zijn lichaam. Hij verbaast zich haast over het feit dat hij een kind draagt, dan over het feit dat dit een ander geslacht heeft dan het zijne. Zo is hij zelf-voldaan. Hopelijk heeft hij aan deze autarkische, zelfvoorzienende, in zichzelf gesloten creatie ook plezier beleefd. Zo niet zouden we gaan denken dat het een autistisch systeem is, waar iets wat er in zit niet uit kan, tenzij in een openbarsting en iets wat buiten is er niet in kan, tenzij via een paranoïde mentale transformatie (de wens, en de angst zijn de ouders van de gedachten).

Zo zou het verhaal hier kunnen eindigen.

Besluit

Wanneer men werkt met autistische personen is het nodig om in zekere zin een “bijzondere omgeving” te creëren, zowel voor de mensen die met autistische mensen werken, als voor deze laatste zelf. Bij autistische jonge en oudere patiënten is er immers iets “oerachtigs” gestoord, namelijk het behaaglijk bestaan in een stemming. De tonaliteit van hun existentie is fundamenteel wankel. Daardoor is de behandeling en het omgaan en samenleven met hen zo moeilijk. “Ik wil ook wel iets anders doen dan educatief met hen omgaan, maar wàt kan ik zeggen, hoe kan ik spreken en wat kan ik ànders doen met een autistisch kind?” was een vraag van een jonge psychologe na een casusbespreking op een congres.

Michel Balat, die zelf met teams heeft gewerkt die met comapatiënten werkten, spreekt 11 over het lichaam van het team rond en met de comapatiënt. Dat “lichaam” van een aantal mensen dat ervoor kiest samen te komen rondom een patiënt wordt in de Institutionele Psychotherapie “constellatie” genoemd, een soort van groepslichaamsbeeld rondom dat individuele dat kaduuk is maar dat – buiten zijn eigen wil – toch wordt omgebouwd tot een dynamisch lichaamsbeeld in de betekenis die Schilder er aan geeft: “Dat gestoffeerd wordt door de ervaringen met (de lichamen van) anderen, door de eigen beweging (waarbij hij ruim plaats geeft aan de proprioceptie) en door de wisselwerking tussen lichaam en psyche: het lichaam ondergaat veranderingen op grond van de psychische (libidinale) betekenis die het krijgt (aandacht, pijn, irritatie, jeuk). De libidinale bezetting verandert onder invloed van veranderingen in het lichaam (trauma’s, ziekten)…”

Metaforen zoeken voor een complexe zaak als autisme blijft een hachelijke zaak. Er treden vlug misverstanden op wanneer men denkt dat deze metaforen in de plaats komen van de biologische gronden die men bij autisme sterk vermoed. De inzet van metaforen kan echter ook beschouwd worden als een medicijn voor al wie met autistische personen “moet” omgaan en samenleven, omdat hij of zij ouder is, of beroepshalve deze keuze heeft gemaakt. Het maakt mogelijk dat men niet meegezogen wordt in het autisme. Dit betekent niet dat men “het autisme” dan maar bij de ander laat, die autistisch is. Maar eerder dat men een niet-angstige en niet-beangstigende gezel kan zijn, die “dank zij” de pogingen tot metaforisering, samen met anderen, kan blijven nadenken om actief middenwegen en middenruimtes te creëren, om te kunnen samenleven, om therapeutisch werk te verrichten dat niet geheel leeg is van zin, of om gewoon de dagen door te komen.

Alain Rey (dir.). Le Robert. Dictionnaire historique de la langue française., 2000

1 Houzel, D. L’aube de la vie psychique. Etudes psychanalytiques. ESF, 2002 (p. 180)

2 Met dank aan Marc Ledoux

3 studiedag 3/6/2005: la continuité des soins, Brussel

4 Balat, persoonlijke mededeling 1/12/2006

5 Delion, P. Het autistische kind, de baby en de semiotiek, Garant, 2007

6(cfr. Russell, B. A history of western philosophy, p.137

7 Gonbrowicz Witold, Ferdydurke, Atheneum, 1981 (oorspr. 1937)

8 met zijn etymologische verwijzing naar het “mettre en réserve en vue d’une utilisation ultérieure” of nog “mettre de côté (qqch) à la demande de qqn pour qu’il en dispose au moment convenu » (Le Robert, p.3201)

9 Binnen de angelsaksische categoriale diagnostiek wordt de psychose niet meer weerhouden voor de kinderleeftijd, en spreekt men van autismespectrumstoornissen. De groep “active but odd” kan o.i. samenvallen met de kinderpsychotische

10

11 Balat, M. Le corps sémiotique, p. 4 (zie www.balat.fr)

%d bloggers liken dit: