Maurizio Balsamo, Het poëtische in de limiettoestanden van de analyse (1)

In zijn aanvaardingsrede van de Nobelprijs in 1987 merkte Joseph Brodsky op dat poëzie vertolking is van een bijzondere relatie met de tijd en met de kennis. Als een dichter aan het schrijven is/schrijft en verrast wordt door wat opduikt, – want hij weet zelf nooit op voorhand wat zal gebeuren – wel, op dat moment “treedt de toekomst van de taal in haar heden. Zoals wij weten bestaan er drie kennismodaliteiten: de analytische kennis, de intuïtieve en de kennis die de Bijbelse profeten gebruiken als ze zich steunen op de openbaring. De poëzie onderscheidt zich van de andere literaire vormen doordat ze deze drie methodes simultaan gebruikt (voornamelijk tenderend naar de tweede en de derde methode)” (Brodsky, 1988). Brodsky’s observatie omschrijft een eigenschap van de creatieve dimensie, maar niet alleen. Inderdaad, het feit van in aanraking te kunnen komen met wat nog niet gedacht werd en zich door onvoorziene eigenschappen van het object te laten doordringen, zich erdoor te laten “bezitten”, heeft in uiterst algemene termen gezegd, te maken met het symboliserende functioneren van het psychisme ten overstaan van wat het op een bepaald moment niet kan verwerken, met de activering van de verdringing, de mate van infiltratie van het verdrongene en de inspanning om het te integreren, de verhouding tot het onverwachte van de ontmoeting enz. Toch zou ik in deze formulering voornamelijk het profetische aspect willen onderstrepen, de belofte van de komst van iets nieuws en het feit dat het poëtische een tijdsverandering teweegbrengt.
De idee van een “toekomst die plotseling binnendringt in het heden” en op die manier de poëtische ruimte bepaalt, is ons niet onbekend. Paul Valéry had in verband met zijn schrijven al gesproken over “resten van de toekomst”, vluchtige wezens die plotse onverwachte wegen openden. Het feit dat het nieuwe, het nog nooit plaatsgevondene, in de tegenwoordige tijd binnentreedt onder de vorm van bezinkselen, van resten, van fragmenten, zou ons niet al te zeer mogen verbazen, als men rekening houdt met de anti-syntactische of de de-construerende natuur van het poëtische, met haar eigenschap om de gelijkheid tussen betekenis en sprekend subject onder spanning te zetten. (Kristeva,1980).
In deze visie kan de toekomst maar opduiken daar waar het ik van de scene verdwijnt en waar het woord de boventoon haalt op het discours, het marginale of het detail op het centrum, het fragment op de eenheid en de synthese. En dat kan evengoed aanduiden dat het nieuwe de kracht heeft om te ontkiemen (het profetische dat opduikt in de tegenwoordige tijd, en deze verandert) als de transformatie zelf van de tijdscategorieën in die zin dat het op dat ogenblik is dat men simultaan het tegenwoordige en de toekomst voelt.

Op analogische wijze: een analyse kan beschouwd worden – naar een zeer mooie uitdrukking van Imre Hermann – als een machine om “het toeval te vangen” , om geruis binnen te brengen in een min of meer stabiele organisatie. Uiteraard vloeit, zoals wij weten, uit de mate van stabiliteit – anders gezegd uit de mate waarin fixaties voldoende geconsolideerd zijn om regressieve bewegingen mogelijk te maken – het enorme probleem voort (om te weten) op welke tijdstippen en volgens welke modaliteiten het geruis moet worden geïntroduceerd en tegen de achtergrond geplaatst om minimale vormen van organisatie te bevorderen. Het probleem doet zich voor als we geconfronteerd worden met een psychisch functioneren waarin “toeval”, “geruis” uitgesloten blijken te zijn: als we geconfronteerd worden met structuren en vormen van leven waarin – om het zo te zeggen – het “poëtisch” luisteren ontbreekt, met kenmerken die wijzen op een ingeperkt transformatievermogen: een tekort aan assumpties en subjectieve gezichtspunten, verhalen met een zwak narratief en beeldend gehalte.
In de gangbare analytische praktijk wordt tijdens de sessie gewerkt met de stratificaties van het woord en de mogelijke transformaties ervan, die door de ontmoeting van driftmatige bewegingen geactiveerd worden. Het gaat over het luisteren naar de semantische en affectieve uitwaaieringen van het woord, een proces dat goed zichtbaar wordt in de associatieve dynamiek, in de verrassing die voortvloeit uit de ontdekking van onbewuste conceptuele netwerken of in de nagalm van de meervoudige betekenis van de woorden op zich.
In het klinische geval dat ik zal bespreken, bemerken we daarentegen dat een vlakke taal gebruikt wordt met een enkelvoudige betekenis die aan het concrete ding vasthoudt. Dat verraadt de aanwezigheid van belangrijke representatieve en autobiografische moeilijkheden en de onderdrukking van alles wat naar de “Andere scène” zou kunnen verwijzen om het contact met traumatische sporen en ervaringen te vermijden. Voor zover het poëtische zeer algemeen kan gedefinieerd worden als een daad van singulariteit of van weerstand tegen de eenheidscheppende dimensie van de taal of zelfs als een subjectieve toeëigening ervan, dan is het evident dat het poëtische functioneren hier moeilijk verloopt. Het spontaan opzoeken van “geruis”, met andere woorden, het verlangen naar kennis en naar nieuwe ervaringen, het verwijzen naar een mengeling van semantische netten en relationele aftakkingen, het spelen met betekenissen, het oproepen van ondergedolven affecten of de creatie van nieuwe affectieve strata, dat alles is fundamenteel afwezig. Wij zijn dan ook verplicht om een ander conceptueel en operationeel rooster te construeren om dit gebrek aan subjectieve vertaling te kunnen denken. Vandaar dat ik de hypothese introduceer dat het “poëtische werk” bij dit soort patiënten er niet in bestaat om oor te hebben voor de transformatieve openheid die al in voorstelling en elatie effect sorteert. Het moet integendeel opgevat worden als middel om door een proces van individuatie de andere scene te construeren, door in het onpersoonlijke discours te wijzen op subjectieve percepties die zelfs al zouden ze ontkend en weggemoffeld worden, de aanwezigheid aanduiden van een wezen dat observeert en beoordeelt wat hem overkomt. Ik zou zeggen dat men eerst de dichter moet vinden die – ook al werd hij verborgen – is blijven bestaan. Want zelfs als de ervaring wordt ontkend, geanestesieerd, weggeduwd naar de marges van het voorstelbare, als ze niet gedacht wordt en door de patiënt als “een simpel gebeurd iets” verteld, toch bestaat er een spoor van een “neen” dat door de patiënt werd uitgesproken, is er inscriptie van de ontmoeting tussen de affectieve betekenissen van de ander en de aanvaarding ervan, wat dus bewijst dat een limiet geconstitueerd wordt en de mogelijkheid om zich open te stellen voor de toekomst. De afwezigheid van autorepresentatie sluit de aanwezigheid niet uit van onuitgesproken voorstellingen en van vluchtige observaties, van gedachten in afwachting van een toelating over wat het subject beleeft.

Het is evident dat deze blocage van de transcriptieprocessen, het denken hindert. De temporaliteit die de mogelijkheid aanduidt om met een traumatische beleving in contact te kunnen komen, is verward, vernietigd vanwege een immobiel en gefossiliseerd nu, zonder heden of verleden, om de eenvoudige reden dat alles tegelijkertijd op de scene staat en blijft – denken we aan de onbeweeglijke tijd van de melancholicus of van de obsessionele ritualisatie. Nochtans is het dankzij deze complexiteit dat wij beter begrijpen waarom het heden, het verleden en de toekomst voor de psychoanalyse niet dezelfde betekenis hebben (Gantheret, 2014). Gantheret heeft opgemerkt dat psychoanalytisch gezien, enkel het nu reëel is (in de zin van wat hier en nu bestaat), terwijl het verleden een van nostalgie doordrenkt en de toekomst een door het verlangen geconstrueerd verhaal is. Enkel het nu is reëel omdat het slechts binnen het nu is dat het gewaarworden, het ervaren, het beleven van de overdracht ontstaat. De analytische handeling, die daarin gelijk is aan de poëtische handeling leeft slechts in het nu van zijn onmiddellijkheid, van zijn voelen, van het zuivere moment dat zich onttrekt aan het verhaal (denken we integendeel aan de gevoelensvervreemdende machine die we terugvinden in de “archeologische” lust van het obsessionele denken) of dat door het verhaal bedreigd wordt – zoals door onmiddellijk afstand te nemen, bijvoorbeeld door te intellectualiseren. Iets moet gebeuren, nu, opnieuw en voor de eerste keer, opdat de sluiers van het verleden zich zouden kunnen losmaken en zich openvouwen naar de toekomst. Maar daarvoor moet de ruimte van het discours zich kunnen openen voor de ruimte van het woord, moet het symbolische zich laten bevragen en deconstrueren door het semiotisch-driftmatige (Kristeva), moet iets het “religieuze” van elk discours onder spanning zetten. Dat wil zeggen dat het vastklijven aan of de illusie van een vastklijven van de taal aan het “ding”, zijn onaanraakbare kern, of het louter communicationeel niveau onder druk moet worden gezet. Wel te verstaan gebeurt dat elke keer dat de psychische activiteit in staat is om het contact te verdragen met wat ze verdrongen heeft of vermeden om te beleven, met de paradoxale lust die ontstaat als men gevoelsbewegingen omzeilt, met de mobiliteit van de bezettingen die het resultaat is van de integratie van het verdrongene en zo verder. Anders gezegd, dat wordt gerealiseerd wanneer het psychisch functioneren voldoende georganiseerd is om het driftmatige op een niet chaotische, niet destructieve manier in de gesecundariseerde dimensie van de psyche te laten insijpelen. In die zin zijn de poiesis, de creatie, de transformatie, de dimensie van singulariteit die eigen is aan de analytische handeling en het mogelijk maken om dwars doorheen de taal te gaan – doorheen dat wat sinds altijd is – om deze op een andere manier te laten spreken, de mogelijkheid om een cirkel van auto-reflexie in te voeren, essentiële aspecten en verwachtingen van ons werk. Maar tezelfdertijd – en dat is wat ik aankaart – hoe kan men ontkennen dat vele analytische situaties hiervan radicaal verstoken blijven en dat het soms onmogelijk is om de analytische scene die enkel op de as van de herhaling gericht is, met de poëtische handeling te doen samenvallen? Het is inderdaad niet moeilijk om vast te stellen dat men in bepaalde gevallen geconfronteerd wordt met de afwezigheid van de autobiografische dimensie van de geest: het vermogen om voorstellingen voor te stellen, het vermogen om een psyche te investeren. Die wordt integendeel voortdurend gedevaloriseerd met het oog op de constructie van een verschrikkelijk geïdealiseerd zelf dat elke ontmoeting met de ander weigert. Men zou kunnen naar voor halen dat onder deze voorwaarden, de bescherming van het object het subject niet oriënteert naar een verdringing of naar een pure narcistische constructie – in een poging om de ander te overmeesteren, of hem te excelleren – maar naar een vorm van “ascese”, van totale ontkenning van het seksuele, van het gevoels- en relationele leven, en uitmondt op wat men zou kunnen noemen een “kadaverisering” of een psychische desertificatie.

De kwestie die ik hier zou willen aanraken betreft de mogelijkheid om als voornaamste objectief van het analytisch werk volgende omschrijving te geven: een associatief functioneren van de psyche ontwikkelen dat nieuwe zijnsvormen kan laten ontstaan in zijn dynamiek om de al bestaande begripsketens los te maken, latente ketens naar boven te laten komen en nieuwe gelaagdheden te creëren, volgens een recursieve modus in staat tot een onafgebroken autorepresentatie, die de resten kan symboliseren die in deze zelfde autorecursiviteit geïntroduceerd werden. Het gaat er hier dus niet enkel om geblokkeerde gedachten, affecten en symbolische voorstellingen opnieuw in beweging te zetten. Men moet de associatieve openheid begrijpen als een generatieve en auto-reflecterende mogelijkheid van de geest, die geremd was door defensiemechanismen of geblokkeerd door de strijd tegen het denken, door het gebruik van stereotypen en gefixeerde identificaties, door de verleidingen van het narcisme en het superego van het subject.

Wij weten dat, historisch gezien, het ontstaan van het analytisch apparaat de constructie mogelijk heeft gemaakt van een tweeledig psychisch functioneren dat in staat is om de hysterische verleiding af te remmen dankzij de overgang van de daad naar het woord. Het ging erom dat dankzij dit apparaat de overdreven hang naar verleiding kon gereguleerd worden. In een zekere zin werd het kader het middel om het associatieve overstromen van valse verbindingen, de ad hoc verbindingen die de assonanties doen ontstaan, de geheime identificaties – anders gezegd, al de mechanismen die de ontdekking van de overdracht hebben mogelijk gemaakt – toe te laten en tegelijkertijd te beperken. Maar al vlug zijn andere horizonten opgedoken: de verbodsfunctie bijvoorbeeld die het superego invoert in de vrijheid van associatie, in de verwarring en in de veroordeelde en verboden identificatie van daad en gedachte, van gebaar en verbeelding, met als gevolg dat de vitale bewegingen van het subject en zijn capaciteit om associatieve bruggen te bouwen worden geblokkeerd. Of ook vormen van libidinale negativering die door het risico te vermijden van een ontmoeting met het object, elk verlangen tot een minimum herleiden. Of zelfs artificiële creaties van neo-objecten waarover men ongelimiteerd zal kunnen beschikken, zoals de drugsverslaving of een onweerstaanbare en verslavende neo-seksualiteit.

Eigenlijk is het hier dat het volgende probleem verschijnt: hoe kan men een analytische situatie realiseren die in staat is om het autocoërsieve of ronduit moordende mechanisme voor het denken en het voelen te deblokkeren? Anders gezegd, het probleem bestaat erin te begrijpen hoe men kan verwachten dat het poëtische opnieuw een plaats krijgt binnen de louter identitaire bevestiging van “zo is het, want het is altijd zo geweest”. Ik preciseer dat het niet enkel gaat om patiënten die geblokkeerd zijn in hun symptomatiek, maar soms om echte toestanden van psychische desertificatie, waarin het negatieve onder alle mogelijke vormen het psychische bestrijdt. Dit lijkt me een belangrijk aspect om bepaalde problemen te begrijpen die met een specifieke frequentie optreden, bijvoorbeeld in de kliniek van de borderline patiënten. In de onmogelijke keuze tussen een intrusieve aanwezigheid en een abandonistische afstand, wordt het woord niet gebruikt om diepere aspecten mee te delen (ze worden zelfs gevreesd) maar om contact te bewaren met het object op een manier die tezelfdertijd beschermt tegen een overdreven afstand en tegen een angstaanjagende nabijheid. Het is in dit perspectief dat wij de behoefte zouden kunnen begrijpen van bepaalde patiënten om zich op een spreekniveau te houden dat zo eenduidig mogelijk is, concreet of door banalisering steriel gemaakt, in een poging om elke gevoelsmatige implicatie, elke mogelijke metaforische verwijzing, elk risico van “poëtische transformatie” te vermijden.

Voor zover de fundamentele aspecten van wat wij omschrijven als de klassieke analytische situatie uit de affectieve dimensie omvat, de mogelijkheid om terug te gaan tot in de verschillende lagen van de tijd, de nagalm van de betekenis en de constructie van niet gedachte gedachten, de mogelijkheid om opnieuw de vertakkingen van de eigen identiteit te doorkruisen, de toeëigening van betekenis en van elementen van het psychische universum die tot dan toe in de marge gebleven waren, wel dan, welke van deze aspecten vinden we terug in bepaalde klinische toestanden die verwantschap vertonen met pseudo-autistische toestanden, met limiettoestanden, met zware narcistische en identitaire angst? Als men rekening houdt met mijn premissen, zal het zonder twijfel evident blijken dat we het functioneren van deze patiënten kunnen zien als de uitdrukking van een destructiviteit die op de eerste plaats het psychisch functioneren van het subject betreft. Vandaar een belemmering van de algemene reflectie capaciteit, het voortdurende zoeken naar een overdreven eenduidige taaluiting die het concrete, de opheldering en de onmiddellijke en directe verklaring van de gebeurtenissen viseert, zonder dat iets ook maar een spoor achterlaat, een teken wordt van een psychische overwinning, een herinnering aan een volbrachte taak. De sessie herbegint en de ondervraging stelt opnieuw dezelfde vraag, alsof alles vervlogen was. Men zou kunnen denken aan de werking van het negatieve dat leidt tot de uitwissing van het subject zelf, tot “een negatieve hallucinatie van het subject dat door hemzelf tot stand wordt gebracht” zoals André Green het heeft geschreven.

Het is inderdaad gemakkelijk om zien dat we in deze gevallen geconfronteerd worden met een afwezigheid van de narratieve dimensie van de geest, met een onmogelijkheid om in de sessie tegen te komen wat André Green de centrale elementen van het associatieve vermogen van de geest noemt, dwz. de retroactieve nagalm, de anticiperende aankondiging, en tenslotte het aspect van uitstraling en van uitwaaierende virtualiteit. Dit veld van fenomenen, zoals weerstand tegen de terugkeer van gevoelsporen op straffe dat symptomen opduiken van een primitieve agonie of van een radicaal falen van het subject, of fobie voor het contact met gevoelens en voor het risico van metafoor in de taal omschrijf ik fenomenologisch als “de afwezigheid van het poëtische” en klinischer gezien, als stilstand of ernstige inperking van de associatieve processen. Ze bepalen fundamenteel de verandering van paradigma die zich voordoet in de overgang van de kliniek van de neurose naar die van de limiettoestanden. Of naar wat men omschreven heeft als het operationeel denken bij de psychosomatische patient (cfr de nu al klassieke werken van de M’Uzan, Fain, Smadja..) of ook naar wat Mc Dougall het antianalyserende in de analyse noemde en beschreef als een patient “bij wie we niet duidelijk een andere betekenis voelen die verder gaat dan wat gezegd wordt… hij valt op door zijn taalarmoede en het gebrek aan gevoelsinhoud… Er is zoiets als een breuk, een afgrond die de subjecten scheidt van de intieme objecten en van het driftleven” (Mc Dougall, 1993, p. 130-131). In het algemeen zouden wij deze toestanden kunnen omschrijven als limiettoestanden van de analyse, waar de rol van het denken, van de negativering van het analytische kader, waar het vermogen tot interpretatie, het zoeken naar nieuwe modaliteiten om zich te representeren en zichzelf te beleven, aan ingrijpende veranderingen onderworpen is. (Donnet, 2000).

Volgens bepaalde formuleringen van Green betekent deze verandering van paradigma de overgang van een klinisch-theoretisch model dat gefundeerd is op de driepoot kader/droom/ duiding (anders gezegd, het veld dat gecreëerd wordt door de representatieve functies en door de herinnering aan de ervaringen van het subject, zelfs al zouden ze aan verdringing onderworpen zijn), naar een model dat gekenmerkt wordt door 1) het interne kader (een term die verwijst naar de ontiegelijke veranderingen die zich voordoen in de behandeling van deze casussen: het face à face, het variabele ritme van de sessies, de speciale rol van de tegenoverdracht en het gevoel van afwezigheid van een overdrachtsrelatie); 2) de daad of de traumatische droom; 3) het analytische werk dat op de eerste plaats poogt de voorwaarden te realiseren voor de ontwikkeling van de vatbaarheid voor representatie en dus van de vatbaarheid voor interpretatie.
Maar in het licht van wat ik heb gesteld, zou de verandering van paradigma ook kunnen omschreven worden als de overgang van “kader, voorstelling, interpretatievatbaarheid” naar die van interne beschikbaarheid van de analyticus, naar een mentale structuur in actie, naar een werk van (constructie) van het voorstellingsvermogen.

Met andere woorden, wij bevinden ons tegenover autobiografische constructies die heel erg beknot, ondoorzichtig of gefragmenteerd zijn, tot stilzwijgen gebracht door de destructieve dimensie van de ontbindingskracht, of we bevinden ons tegenover situaties die gedomineerd worden door het onvermogen om de bewegingen van het representationele te representeren, omdat het moeilijk is te investeren in een psyche die voortdurend gedevaloriseerd wordt (de Andere Scene ontbreekt, merkte Mc Dougall op) naast de constructie van een verschrikkelijk geïdealiseerd zelf die elke ontmoeting met de ander ontkent. Bij deze subjecten gaat het inderdaad erom dat ze zich organiseren via speciale manieren van doen (psychische, gedragsmatige, relationele) om de terugkeer van het gevoelsmatige en hiermee samenhangend de terugkeer van niet gesymboliseerde, niet gesubjectiveerde ervaringen, chaotische sporen, archaïsche en traumatische herinneringen te vermijden. Vandaar het terugkerende eenduidige taalgebruik, het gevoel van verveling of existentiële leegte, de noodzaak om het object en zijn uitspraken te controleren (Balsamo, 2011a) door op alle veranderingen ervan te letten, die dan zullen worden gezien niet als een verandering van standpunt, maar als valsheid in het gegeven woord, gebrek aan vertrouwen, leugen. Een geheel van fenomenen dat men ook kan beschrijven als het primaat van de taal op het woord of van het onpersoonlijke op de subjectieve transcriptie.

De korte en magere flitsen die bepaalde patiënten over hun leven brengen, vertonen vaak al sommige opvallende karakteristieken van het mentale functioneren dat onze aandacht wekt: een totale afwezigheid van relaties, in een radicaal affectief isolement: “Ik ben er nooit toe gekomen om mijn dochtertje aan te raken toen ze klein was, ik kon ook niet met haar spelen, zei een patiënt, dat lichaam dat bewoog, maakte me bang, het is misschien daarom dat ze een afschuw van mij heeft en dat ze niet met mij spreekt”. Het zijn schaarse, los van elkaar staande gebeurtenissen die gekenmerkt lijken te worden door een vreemd soort onbeduidendheid en bij retrospectie verschijnen als rondzwervende klontertjes van verbanden en percepties in een vloeibaar universum en waarin de verwarring van de analyticus die ontstaat bij het luisteren naar deze verhalen, soms tot uiting komt via een indruk van onrust of een gevoel van wantrouwen of ongeloof. Of dan hoort men een verhaal dat zich voornamelijk afspeelt rond een symptoom en het feit dat het al jarenlang bestaat, wat tezelfdertijd een soort identiteitsspoor is en een proces van betekenisontneming. Soms zijn het verwarde verhalen vol angst, die zich concentreren op kinderlijke toestanden die getekend zijn door de terreur van de ouderlijke relaties, die en een oncontroleerbaar en een onverklaarbaar aspect vertonen. Hier is het evident dat de patiënt tot stilzwijgen werd gebracht en dat zijn overlevingsstrategie erin lijkt bestaan te hebben om zich zo vlug mogelijk te “syntoniseren” op de gemoedstoestand van de agressor, om preventief zijn gemoedsbewegingen of gemoedstoestand te kunnen inschatten. Als werkhypothese zou ik hieraan willen toevoegen dat het erop lijkt dat sommige patiënten niet over eigen gevoelstoestanden kunnen beschikken, omdat ze voortdurend gespannen uitkijken naar de revelatie/de peiling/ de sturing van de gemoedstoestand van de ander, die wordt ervaren als bijzonder bedreigend en vernietigend.

Hier ziet men duidelijk dat het onderzoek van Ferenczi over de identificatie met de agressor zeer bruikbaar is als model om begrijpelijk te maken waarom het subject zijn gemoedstoestanden wegduwt en de – onbewuste – erkenning van de realiteit, die wel moet worden ontkend om het gezichtspunt van de ander in leven te houden. Samen met dit fenomeen, ziet men dat er – op subtiele wijze – iets opduikt, een soort scherpzinnige gewaarwording van de gemoedstoestand van de ander wat dan wel weer gepaard gaat met een dekwalificering van deze gewaarwording, gezien het verbod op het subjectieve denken en de subjectieve identiteit. Hieruit vloeien verwarde en contradictorische gemoedstoestanden voort die gekenmerkt worden door percepties en door de ontkenning van diezelfde percepties, door psychische blindheid en door schaarse intuïties die niettemin voor het subject onbruikbaar blijven. Omdat wij denken dat het een juiste hypothese is dat de rol van de primaire objecten bij deze subjecten het vermogen ernstig verstoord heeft om relaties uit te bouwen en om de transformatieve objecten te gebruiken, en ook dat deze subjecten pogingen doen om zichzelf te denken met en doorheen de ander, is het gevolg dat hun oplossingen gekenmerkt worden door de ontkenning van de eigen beleving van onvoldaanheid, van lijden en van miskende behoeften, wat aanzienlijke gevolgen zal hebben voor het representatief vermogen. Het ontkennen of devaloriseren van de driftmatige dimensies van het subject, die een uniek teken zijn voor de waarachtigheid van zijn gedachten en gevoelens, gaat dus gepaard met een zwakke voorstellingsactiviteit of een activiteit die geconstrueerd wordt als barrière tegen de erkenning van de waarheden van het subject. Het is de auto-representatieve dimensie van de psyche die dermate aangetast wordt, dat we vaak niet anders kunnen dan ook de armtierigheid te constateren van de ondergrondse dimensie, met andere woorden, van de representatieve dimensie. Maar zoals ik al zei, observeren deze patiënten de bewegingen van het object volgens een achtervolgingsmodus, zij peilen zijn gemoedstoestand, zij schetsen op voorhand de richtingen en de intenties ervan, ze raden en projecteren tezelfdertijd massaal, terwijl ze de ene na de andere sensatie en reflectie die op een bepaald moment opkomt over de geestestoestand van de ander, inslikken. De onmogelijkheid om het primaire object “afwezig te laten zijn” omwille van een door het oncontroleerbare en paradoxale karakter van het object moeilijk gemaakte psychische inscriptie of omwille van een defensieve incorporering (meer in het algemeen, omwille van een origineel verbod om een zelfstandige ruimte tegenover de kolonisering van het object te creëren) getuigt tezelfdertijd van een strijd tegen de meer ontwikkelde psychische processen. Hieruit volgt een constructie van een “vals zelf” dat het subject tegelijk toelaat de psychische eigenschappen van het object te incorporeren, zich tegenover hem te vervreemden en de emoties te vernietigen, en daarbij meer authentieke driftmatige fragmenten, die voortdurend worden ontkend en verdonkeremaand, veilig te stellen.

Een voorbeeld van deze toestand is de identificatie die vastgeklikt zit aan een paradoxaal functioneren dat door het object wordt opgelegd, en dat we perfect kunnen herkennen in de omkering van de waarden (goed/slecht, liefde/haat, lust/onlust, enz.). De pogingen om aan deze patiënten het recht terug te geven om te denken en hun gemoedstoestanden te (h)erkennen stoten vaak op de weigering van deze mogelijkheid. Een groot deel van het werk bestaat er dan in om zodra het kan te trachten de stilzwijgende observaties van het subject opnieuw te gebruiken: het is een Sisyfuswerk dat toch weer wordt ontkend door de niet aflatende poging om de therapeut gelijk te stellen met de oorspronkelijke toestanden van gebrek en zwaar tekort.

Ludovico, een patiënt, drukt zich zo uit: “Ik ben zeer gedeprimeerd, ik weet niet wat ik hier kom zoeken, u kent mijn problemen, ik zou willen begrijpen waarom ik er niet in slaag het werk te krijgen dat ik graag zou willen (een leerstoel aan de universiteit) en een vriendin te vinden”. Het betreft een patiënt die zeer uitgesproken autistische trekken vertoont. Hij is gesloten, zwijgzaam en het valt hem zwaar om iets op te roepen dat het kader van het dagelijkse leven te buiten gaan, en zelfs, als hij erin slaagt, vertrekt hij van zeer armzalige elementen. Hoewel hij over de jaren heen bij vele therapeuten in behandeling is geweest, heb ik het gevoel dat alles van hem af is gegleden zonder sporen na te laten. Zijn samenvattingen van zijn voorgaande ervaringen zijn pover en tonen vooral hun mislukking en hun nutteloosheid. Tezelfdertijd gaat het, denk ik, om een werk van emotionele verarming, van onttrekking van het gevoel en migratie van de haat van het originele object naar de analytische situatie. Wat ertoe leidt te denken dat er niettegenstaande zijn ontkenningen toch iets gebeurd is, dat hoewel haat en weigering de primaire kenmerken zijn van dit soort psychoanalytische relatie, er toch een bepaalde psychische arbeid schijnt plaats te vinden.

Als ik mij tegenover zulke patiënten bevind, heb ik op mijn beurt de indruk dat het mij echt moeilijk valt om te denken en emotioneel contact te hebben als mijn opmerkingen en observaties in het belachelijke worden getrokken en inert gemaakt door de massale concretisering van de gedachte, door een “ik kan niet weten hoe het echt is” die vaak de interventies van de analyticus begeleiden, die op die manier elke echo verliezen. Nochtans beleef ik zelfs onder deze zo bijzondere omstandigheden korte maar heftige emotionele momenten: een blik, een glimlach of een subtiele zin. Die momenten zijn schaars maar belangrijk: het lijkt erop dat ze aangeven dat de analyse niet enkel tot doel mag hebben om te zorgen voor een vervanging voor het leven (en dat is een idee die ik stilaan ben beginnen in overweging te nemen), alsof de analyse gebruikt werd als een substituut voor het bestaan, maar dat integendeel een echte ontmoeting soms mogelijk is. Inderdaad worden we hier met een essentiële paradox geconfronteerd: de therapie wordt tegelijk opgezocht en onschadelijk gemaakt en is ze slechts een gevecht of een strijd op leven en dood van subjecten die hun standpunt willen opleggen. Maar ze verschijnt tegelijk ook als een beschutte relatie, een relatie waarin de ouder niet voldoende gek is om nieuwe moorden op de ziel te begaan, waarin schaarse momenten van stilte, van intimiteit en van lustvolheid kunnen beleefd worden binnen een universum dat daarom niet minder verlaten is. De emotionele rigiditeit en het gebruik van de ander als louter instrument om het narcisme te ondersteunen zijn duidelijk: het object wordt tegelijk voortdurend gedevaloriseerd in de zoektocht naar of in de verbeelding van een beter en belangrijker ander. Vaak wordt een object gevaloriseerd (op een oppervlakkige manier met de bedoeling het te isoleren, het te verwijderen) zodra er een zweem opduikt van een mogelijk begin van een relatie, maar met het doel het belang van het aanwezige object te verminderen. Het gaat om een beweging die niets met ambivalentie te maken heeft, maar die een echte ontkenning is van het wezen via de constructie van een schijnleven en schijninteresse waarin elke toenadering (ook al zou ze imaginair zijn) onmiddellijk ontkend wordt door de heftige en vlugge desinvestering van het object.

Hieruit vloeit een vorm van weerstand voort die vermengd is met ontmoediging over de interventies en de emotionele en cognitieve voorstellen die geformuleerd worden en die door een gevoelsonttrekkende transformatie uiteindelijk samenvallen met het bizarre karakter van de antwoorden van de ouders. Zoals dat vanaf nu duidelijk blijkt, worden de sessies in dit geval gevuld met korte verhalen over dagelijkse gebeurtenissen die elke emotionele dimensie missen. Het is dan de taak van de analyticus om deze dimensie te vinden of te creëren. Op dat moment stelt men met belangstelling vast dat de ontvankelijkheid om te voelen beleefd kan worden als de aanvaarding van een eventuele mogelijkheid om te leven, als een toelating om te mogen zijn en te bestaan. Maar zoals in een infernale herhaling, worden de pogingen om verbanden te leggen met andere gebeurtenissen vaak gedevaloriseerd alsof ze enkel de persoonlijke vrucht zijn van de theorieën van de psychoanalyticus, en worden ze gelijkgesteld met de gewelddadigheid van de ouderlijke wanorde en met het feit dat deze vol dubbele bindingen en vijandige aanmaningen zit. De vrije associaties zijn uiterst zeldzaam en het is bijzonder interessant om zien dat ze zich – op een beperkte en punctuele manier – voordoen, over het algemeen gereduceerd tot een opmerking tijdens de momenten waarop een diep emotioneel contact begint te ontstaan of wanneer de muur van ontkenning en desertificatie scheurtjes vertoont. Over het algemeen – en het gaat hierbij om een aspect dat me belangrijk lijkt om te onderstrepen – blijkt het materiaal dat verschijnt, verbonden te zijn met verbale uitdrukkingen of met een ingekapseld discours alsof het associatieve contact als voornaamste, hoewel slechts tijdelijk, resultaat heeft dat men kan terugvinden op welke wijzen de anderen het subject hebben gezien. Naar aanleiding hiervan zou men kunnen spreken van een echte toeëigening van het subject door een intrusief en dekwalificerend object dat het recht op lustbeleving, op uitdrukking van de behoeften, op autonomie en op differentiatie ontkent. De tyrannie van de verboden wordt op een speciale manier in het psychisch functioneren uitgedrukt, alsof de patiënt het enig mogelijke gezichtspunt zou moeten aanhangen: dat welke hem is opgelegd door de reële en fantasmatische ouderlijke constellaties en dat voortgekomen is uit zijn destructurering van het gesprokene. Eens dat dit in fragmenten uiteen is gevallen in een inspanning om te neutraliseren, verliest het elke mogelijkheid om in een context geplaatst te worden, omdat de woorden geassimileerd worden met de onmogelijk te vertalen geboden van het superego. Dat verklaart ook de extreme angst van het subject op het moment dat hij contact krijgt met de verandering van standpunten, met de integraties en de echte interpretatieve veranderingen die zich tijdens het analytisch werk kunnen voordoen.

Wat valt er te doen, wanneer wij geconfronteerd worden met een dergelijke catastrofe? Wat doen wanneer we geconfronteerd worden met die stomme blik, met die schuilplaats waar eruit treden dodelijk is? Ik kan enkel mijn onzekere, soms geïmproviseerde pogingen aanhalen om te proberen dit psychische gat, deze operatie van onderdrukking van de psychische verbindingen en alles wat zin zou kunnen krijgen, wat gedachte, idee, theorie, reflectie of autoreflectie zou kunnen worden, te trotseren. Hoe leven binnenbrengen in die eeuwige gletsjer, hoe een fantasme binnen de machine introduceren? Zo heb ik me langzaamaan gerealiseerd dat ik veel sprak met deze patiënten, dat ik veel met hen sprak in een poging om te vechten tegen de verveling, tegen het gevoel van een affectieve leegte, van kilte en nutteloosheid van het analytische werk. Ik ben me gaan realiseren dat het feit van verhaaltjes te vertellen, van pogingen om verbanden voor te stellen, fragmenten van verbindingen te maken, uitdrukking te geven aan de (h)erkenning van diepere gewaarwordingen – wanneer ik de indruk kreeg dat ik ze herkende – misschien wel dat is wat deze patiënten toelaat in leven te blijven.

Wij kunnen zeggen dat in dergelijke omstandigheden het eigenlijk de taak is van de analyticus om emoties te voelen, te creëren, en het wordt interessant om dan te ontdekken dat de disponibiliteit om te kunnen voelen beleefd wordt als de aanvaarding van een eventuele mogelijkheid om te leven, als een toelating om te leven. En het is in die zin – zoals ik dat reeds heb aangekaart – dat we op de eerste plaats op zoek moeten gaan naar de dichter, naar het niet (h)erkende gevoelde, naar het subject dat verhuld zit in het altijd hetzelfde van de herhaling, het “neen” in het onpersoonlijke van het discours.

Ludovico: “Hoe kan ik geloven wat u zegt? Elke therapeut heeft mij een verschillende verklaring gegeven, u tenslotte ook. Als ik hier wegga en ik ga bij iemand anders, dan zal ik een andere verklaring krijgen. In dat alles steekt niets wetenschappelijks.”

Analyticus: “u zou kunnen proberen om te luisteren naar wat u voelt en van daaruit oordelen.”

Ludovico: “Ik voel niets. Begrijpt u dan niet dat dit alles verloren tijd is?”

Pause

Analyticus: “toch wordt u boos als ik u vraag om een poging te doen om te voelen. En dus voelt u iets, zelfs als het moeilijk is om dat voor uzelf uit te spreken.”

Ludovico: “Ik heb liever dat het de anderen zijn die denken.”

Analyticus: “Zeer zeker, op die manier kunt u controleren of ze niet te gek zijn. Nochtans signaleert u me, wanneer u me vertelt wat u beleeft, door de manier waarop u dat vertelt, dat u zich altijd een idee vormt over wat er gebeurt, zelfs wanneer het u niet lukt dat voor uzelf uit te spreken.”

Ludovico zwijgt enkele ogenblikken, dan voegt hij toe: “Toen ik klein was, kwam het voor dat ik een poging deed om iets te zeggen, maar mijn vader begon te schreeuwen en mijn moeder gaf hem gelijk, zij zei dat ik bizar en stout was omdat ik mijn vader van antwoord diende.”

Analyticus: “U bent nu aan het zeggen dat u op het einde van uw kindertijd geleerd hebt om in stilte te denken, zonder dat te tonen?”

Ludovico bevestigt en begint te spreken over een meisje dat hij ontmoet heeft en over wat er gebeurd is, zonder aarzelen, met een duidelijke en anonieme situatiebeschrijving hij deelt me in werkelijkheid zijn geheime gedachten mee. Het verhuld gevoelde – dwz. het spoor van een subjectiviteit die aan het werk is, het teken van het drifmatige dat door het subject opgenomen wordt, de effecten van de ontmoeting met een ander dan hemzelf – kan op die manier naar boven komen.

We zouden het geheel van de analytische bewegingen die tijdens deze sessie plaatsgevonden hebben kunnen beschrijven als een poging om het ervaringsveld (dat zich bij deze gevallen noodzakelijk reduceert tot de voorbije ervaring, omdat elke toekomst ontwaard wordt) niet te laten samenvallen met de horizon van verwachting die noodzakelijk elke beweging van het verlangen invoert. Het samenvallen van deze twee dimensies dwingt het woord om getuige te zijn van de geschiedenis die reeds geschreven is, en het is de afstand tussen deze dimensies die het mogelijke invoert. Tussen haakjes gezegd, ik herinner eraan dat het om deze reden is dat Aristoteles de poëzie hoger inschatte dan de geschiedenis, omdat geschiedenis vertelt wat gebeurd is, terwijl de poëzie het mogelijke introduceert.

Vrije associatie? Op dit niveau van psychisch functioneren zijn de vrije associaties misschien wel de gedachten van de vele therapeuten, die een rijke of een arme wereld is. Reflexiviteit is wat de analyse toelaat, de autobiografie wordt de geschiedenis van de jaren van analyse en – therapeut na therapeut, associatie na associatie – slaagt hij erin zich in leven te houden. Als de psychotherapie een spel is dat men moet aanleren, zoals Winnicott beweerde, waarom zou dat ook niet zo zijn voor het leven? “Ik zou graag over iets willen spreken – zegt hij me – ik heb nagedacht over wat u mij de vorige keer heeft gezegd, ik vind dat ten dele juist.” “Dat lijkt me al niet zo slecht”, zeg ik hem. En hij lacht. Als men zich bevindt tegenover het tragische en het onveranderbare, tegenover de terreur van het gesprokene, op welke plaats moet men dan het subject gaan zoeken dat zich toch ergens schuilhoudt?
Van deze patiënt heb ik geleerd dat een blik, een glimlach of een kleine grimas (in een maximale uitvergroting van de aandacht en in een erotisch corps à corps dat levensdrift schenkt/ libidiniseert) de manieren zijn waardoor de niet denkbare gedachten werkelijkheid worden en hun bestaan signaleren. Geen verhalen, maar pictogrammen zonder einde, flitsen van lustbeleving en van ontzetting in de plaats van vrije associaties met woorden. Maar tegelijkertijd, toestanden van het subject die moeten teruggevonden, die moeten ontdekt worden, tegenover het geloof dat alles levenloos is. Het wekt de indruk dat zelfs daar vormen van leven vervat liggen waar het gewoon bekende leven onmogelijk blijkt te zijn. En doet deze ontdekking ons in de grond niet minder eenzaam voelen?

Bibliografie
M. Balsamo “Fidélité et infidélité de la mémoire, Revue franç. de psych. 2013, 1.
M. Balsamo, “Un premier amour ne s’oublie jamais, ou presque”, Revue franç. de Psych., 1/2012b.
M. Balsamo, (a cura di), Libere associazioni ?, Franco Angeli, Milano, 2011.
M. Balsamo, “Analist at work: Sabina”, Int. Journal of Psych., vol.92, 6, 2011b.
I. Brosdkij, “Che cosa è la poesia”, Lettera Internazionale, 16, 1988.
J. L. Donnet, “Pazienti limite, situazioni limite”, in J. André, Stati limite, Franco Angeli, Milano, 2000.
J. Mc Dougall, A favore di una certa anormalità, 1993, Borla, Roma.
F. Gantheret, “Lo spazio di un istante”, in press in Psiche, 2014.
A. Green, “La position phobique centrale avec un modèle de l’association libre”, Revue Franç de Psych., 2000, vol.64, nr.3.
A. Green, Du signe au discours, Ithaca, Paris, 2011.
J. Kristeva, Materia e senso, Einaudi, Torino, 1980.
J. B. Pontalis, Ce temps qui ne passe pas, Gallimard, Paris, 1997
P. Valery, « La création artistique », in Vues, La table ronde, Paris, 1948.

Ce message est également disponible en : Frans

%d bloggers liken dit: