Anne Verougstraete – Kunst opdat echokamers geen dove kamers zouden zijn

Anne Verougstraete – Kunst opdat echokamers geen dove kamers zouden zijn

(Lezing op het Jubileumcongres van de Belgische School voor Psychoanalyse – Mei 2015)

Lezing van Anne Verougstraete gevolgd door Siri Hustvedt’s antwoord

Wij zijn allen spiegels en echokamers van elkaar”[1], schrijft u, beste Siri Hustvedt. Het is in het lichaam dat deze resonantie ontluikt en herkend wordt. Zowel in psychoanalyse als in kunst wekken kamers de droomwereld van het intieme op, de fantasie van ruimtes waar een verhouding tot zichzelf of met de andere een plaatst krijgt. Als echo op uw langzame, meditatieve, nooit voltooide analyse in ‘The Mysteries of the Rectangle’ van de ‘Vrouw met parelsnoer’ van Vermeer, komt in mij spontaan de ‘Brieflezende vrouw’ naar boven.

Zij is zwanger. Het bovenlichaam tekent zich af tegen de achtergrond van een wazige figuratie van de Friese wateren. Haar matrix wordt gemarkeerd door een strik ter hoogte van de navel. Een dwarslatje scheidt het geheel in twee helften, die echter verbonden blijven door de brief die zij in haar handen houdt. Haar kledij trilt van bewogenheid. Is ze aangedaan door wat iemand die afwezig is haar schrijft? Zijn het de bewegingen van het kind in haar schoot dat deelt in haar beroering? Deze sprakeloze dialoog tussen verscheidenen verleent hun volle gewicht aan de dingen: de koffer op de tafel, de boeken, het parelsnoer. Hij werpt vage, bewegende schaduwen op de heldere weerkaatsing van de witte muur. De geladenheid van deze kamer doet aanvoelen dat er iets aan het gebeuren is en geeft weerklank aan wat u de echokamer van het stokoud zwembad[2] noemt. Ze doet de sporen oplichten van een allereerste vormgeving aan een leefruimte binnenin een ruimer geheel, de sporen ons verblijf in de moederschoot, waarin we meetrilden met haar belevingen en met de buitenwereld: mijn moeder was voor mij niet alleen een persoon maar ook een plaats […], het was bij mijn moeder dat ik thuis kwam. Er is geen leven zonder een thuishaven, die niet alleen uitwendig is maar ook inwendig – een locus mentis[3]. “Het gelaat van mijn moeder, haar handen, haar aanraking en haar stem hebben gans mijn leven in mij weerklonken. Het zijn de elementen geworden van een legaat dat ik aan mijn dochter heb doorgegeven, een erfenis die als muziek in mijn lichaam speelt, een stilzwijgende kennis ontvangen en doorgegeven doorheen de tijd[4]”. Afstemming staat ingeschreven in die mentale plekken. Ze vormen een waardevol overblijfsel dat dieper reikt dan “ontoereikende verklarende formules en gebrekkige symbolische oppervlaktelagen[5]”, en dat ondergronds maar actief een grondlaag van eenstemmigheid in ons en tussen ons weeft.

U houdt van de Cellen installaties van Louise Bourgeois (hierboven), want zij geven “een betoverende toegang tot die kwetsbare topos waar herinnering en fantasie vervloeien[6]”. In uw romans ontwerpt u ook “kleinere kamers met petieterige figuurtjes en wat grotere figuren”. Woordeloze verhalen die ons meeslepen naar vreemde en verborgen herinneringen uit de kinderkamer. “Geen ervan vertelt een duidelijk verhaal. Ze zijn allemaal even duister als dromen[7], voorzien van kleine ramen met tralies ervoor”. In het lichaam geven ze weerklank aan de aantrekkingskracht van verboden plekken en aan het verlangen om te gaan kijken wat er daar is. “Elk ‘verhaal’ wordt van binnenuit verlicht om een ‘spookachtig’ schijnsel te creëren[8]”. The Suffocation Rooms “geven twee levensgrote poppen te zien, een kist en een wassen beeld van een engerd die wel uit een ander melkwegstelsel afkomstig lijkt[9]”. Kunst brengt ons opnieuw in verbinding met gewaarwordingen en voorstellingen van vroeger.

Het cabinet van Freud waar hij zich omringd had met boeken en kunstwerken, valt mij nu ook te binnen. Toen hij bedreigd werd door het nazisme, was hij pas bereid Wenen te verlaten, nadat hij van Marie Bonaparte de verzekering had gekregen dat zijn cabinet in Londen volledig zou gereconstrueerd worden.

Eer aan literatuur en kunst! Zou Freud Freud geweest zijn, had hij Sophocles, Shakespeare en Dostojewski niet gelezen – ook Zweig, Schnitzler en Rolland met wie hij correspondeerde? Zijn leven lang heeft hij zichzelf opengesteld in een schrijven, gericht vooreerst aan Fliess en vandaag aan ons, waarin hij zijn dromen, geschiedenis en zoektocht bekend maakt. Dat onderscheidt zijn geschriften van “wetenschappelijke” studies en creëert ook een “literaire ruimte”[10] die erkend werd met de Goethe-prijs, enkele jaren voordat zij verbrand werden.

Door zijn geliefde kunstwerken te tonen in de intimiteit van zijn cabinet, omringde hij zijn analysanten met objecten doordrongen van de sporen van een ander bewustzijn. Lieten zijn figuurtjes, als getuigen van een bedolven verleden, hem bij het beluisteren van zijn analysanten een echo horen van de Geschiedenis der mensheid? Lieten zij hem toe wat tot dan verzwegen was gebleven tot bij het woord te brengen? Door ze te tonen aan zijn analysanten, gaf hij iets van zichzelf prijs en door analist en analysant in een ‘samen kijken’ te betrekken, bevorderde hij de therapeutische alliantie.

In de donkere kamer van ons cine-seminarie maakt het ‘samen kijken’ deel uit van de setting. Zonder commentaar vooraf, kijken we samen naar de film die één van de seminarieleden heeft uitgekozen. Op deze manier laten we ons aanspreken door de keuze van een ander en kunnen we rechtstreeks denken vanuit wat we gezien, gehoord en ervaren hebben. Na de projectie deelt diegene die de sessie heeft voorbereid ons mee waarom hij deze film gekozen heeft, wat hem erin geraakt heeft, de ontdekking van de realisator en vooral hoe hij dankzij de film het eigen onbewuste verder heeft kunnen verkennen.

De werkgroep rond de film De groene kamer van François Truffaut op basis van Het altaar van de Doden van Henry James is een gelegenheid geweest van transversale ontmoetingen, ook met u die schrijft: “Ik heb jarenlang geleefd in het gezelschap van de personages et de verhalen van James, en ze laten me niet los. Zij maken deel uit van wie ik ben[11]. Henry James wist hoe hartverscheurend moeilijk het is om de vloed van de ervaring onder woorden te brengen, het raadsel van de menselijke gevoelens en daden te verwoorden, maar net daar lag juist zijn ambitie en ik, één van zijn trouwe lezeressen, heb hem juist daarom lief[12]”. Een passie die u deelt met André Green, die van mening is dat James onlosmakelijk[13] met hem verbonden is, en ook met Winnicott die erkent dat de lectuur van de werken van James tijdens zijn militaire dienstsplicht in de Royal Navy aan boord van de Lucifer, hem geholpen heeft zijn inzicht aan te scherpen in de patiënten die hij later zou verzorgen. James verklaarde: “Kunst bevordert de uitbreiding van het leven, dit is het mooiste geschenk van de roman[14].

En waarom stellen wij een kunstwerk voor op de affiche van ons Congres ? Deze palimpsest vertoont nog sporen van een initieel, uitgewist schrijven, en nodigt ons door zijn kleurvibraties uit tot transsubjectieve resonanties. De intense blik die deze vrouw tot ons richt, lijkt ons te vragen als echokamer te fungeren voor een kwetsuur, die zich alleen maar laat uitdrukken als er zich een open ruimte aanbiedt om haar te beschutten. Wanneer er geen woorden zijn, kan de kunst een zeggen aangaande het trauma mogelijk maken.

Ik denk terug aan u, beste analysant. Toen je me kwam opzoeken, liep je door het leven op de tippen van jetenen, doodsbang om één of andere catastrofe te veroorzaken, innerlijk verstard, niet in staat wat dan ook te doorvoelen. Een kunstwerk – Guernica van Picasso – kwam in je dromen rondspoken. Je sprak me over die open monden zonder kreet, dat gehuil zonder tranen, dat gebroken zwaard… en over die ogen die u bekeken, tegelijkertijd in voor- en zijaanzicht, ogen zo menselijk maar ook zo menigvuldig… en over die tongen, scherp van razernij want oorlogen razen nu eenmaal… Dewelke, vroeg ik je? Stap na stap heb je een verhaal opgebouwd dankzij het schilderij dat Picasso maakte als reactie op de barbaarsheid van Guernica’s bombardement en de gruwel van alle oorlogen. De opgeheven armen van die vrouw deden me denken aan Tres de Mayo van Goya maar ook aan uw verhaal, Siri Hustvedt, in The Shaking woman. Zo aangrijpend en oprecht. De eenvoudige manier waarop u over uzelf spreekt dwingt de empathie af van uw lezer, de vriendschap van diegene die zich herkent in de spiegel die u hem voorhoudt. Vanuit uw eigen ervaring schrijft u in The Sorrows of an American “dat er in ons allemaal geesten huizen, en dat het maar beter is dat ze spreken dan dat ze zwijgen[15]”. Artiesten helpen ons om te verwerken wat er in onze eigen geschiedenis besloten ligt van wereldtrauma’s. Zij verplichten ons om geen dove kamers te zijn.

In uw mooie tekst Yonder – Ginder – vertelt u hoe u een gastenkamer bent geweest voor boeken en ficties, die evenzeer deel zijn gaan uitmaken van uzelf als uw eigen geschiedenis.[16] Tal van romanpersonages ontvouwen zich in u : “Sinds mijn kinderjaren houd ik van Lewis Carroll’s Alice. In het begin was ze niet meer dan woorden op een blad papier, nu bewoont zij mijn innerlijk leven […] waar zij steeds blijft vergroten en verkleinen, en mijmeren over wie ze in de wereld is”[17].

Als u een verhaal verzint, maakt u een plaats vrij voor een anonieme lezer. Als u het aflevert, stemt u erin toe dat een deel van uzelf zich in een ander leven inschrijft en daar in singuliere en onuitgegeven weerklanken resoneert. Graag citeer ik u: “Reading is an internal action. It is the intimate ground where, as my husband says, ‘two consciousnesses touch’. I would add two unconsciousnesses as well[18]”.

Door u te lezen ondergaat uw lezer een verandering. Uw ficties doen de verbeelding loskomen, verrijken de gevoeligheid, roepen verrassende associaties op, halen primitieve en onbekende elementen naar boven. Ook u zelf verandert door te schrijven. U wendt zich tot het schrijven vanuit het verlangen zo dicht mogelijk bij uw waarheid te komen: “Schrijven schrikt mij af, want als ik schrijf, dan ga ik af op het ongezegde, het bedreigende, de plaatsen waar muren afbrokkelen. Zonder te weten wat er daarachter schuilt, word ik er naartoe gezogen[19]”. Een creatieve act veronderstelt een uit balans raken, een oproep naar iets anders. Lezer en schrijver, analysant en analist worden allebei geconfronteerd met een persoonlijke vraagstelling, die elkeen ertoe brengt een nieuwe dimensie van zichzelf te openen.

Door hun dialogisch karakter doen zowel kunst als psychoanalyse de effecten oplichten van alle eerdere ontmoetingen die deel zijn gaan uitmaken van onszelf. Wij zijn allemaal geboren in de transsubjectiviteit van een nevelige, emotionele en sensuele resonantie. Ik denk dat ik daarom zo diep getroffen wordt door dat kleine schilderij van Zurbarán. Een roos voorzichtig neergelegd op de rand van een zilveren schaal, niet los te zien van haar eigen weerspiegeling, haar kroonbladeren uitreikend als voelhoorns rondomrond. Een porseleinen beker, stevig neergezet in de holte van dezelfde schaal, vangt het uitgeschonken water op en opent zijn twee handvaten als arabesken. Tussen al deze elementen is er een onmogelijk te zeggen circulatie, die het levende van de wereld doet aanvoelen. Stelt deze echokamer niet iets voor van wat er in de overdracht en in de kuur gebeurt: dat eenieder een beetje de kunstenaar van zichzelf kan worden?

Response by Siri Hustvedt

This is for Anne V. I am afraid I will destroy your last name or turn it into a Norwegian name if I dare to pronounce it.

 

When I read your beautiful paper, I had tears in my eyes, not only because I was stopped at the airport and felt the hard wall of bureaucracy rise up before me and therefore couldn’t attend this conference, but because in your paper, a genuine dialogue has already taken place between us, and such dialogues should always lead to more dialogue and out of such dialogues, whether in a psychoanalytic setting with its particular frame or between friends and colleagues, change happens.

Because a book is only read by one person at a time, it is an intimate exchange between writer and reader, and, as a writer what one hopes for more than anything is to be understood, to communicate not only thoughts but feelings that resonate inside the other person. To know that such a resonance has happened with you brings me joy. There is an artist in everyone who can play. Winnicott once said that some patients have learn how to play or learn how to play again. That play happens between one person and another, both in art and in psychoanalysis. It is not always light-hearted. It is often heavy and serious, but it is inventive play nevertheless. And when things are going well, in both a work of art and in psychoanalysis, we are able suddenly to see things anew, to discover what we didn’t know before, but which is suddenly recognizable. The key is that it would never happened without the book, the painting, the piece of music, or the analyst. The recognition happens in the Between.

  1. Hustvedt Siri, The Blazing World, Sceptre, 2014, p.111 : ”We are all mirrors and echo chambers of one another”; “Wij zijn allemaal spiegels en echo’s van elkaar” in De vlammende wereld, de Bezige Bij, 2014, p.144.
  2. Hustvedt Siri, The blindfold, London, Sceptre, 1992, p.160: “the echo chamber of the ancient pool”; “de galmende ruimte van het stokoud zwembad” in De blinddoek, de Bezige Bij, 2007, p. 165.
  3. Hustvedt Siri, The Summer Without Men, Sceptre, 2011, p.13 : “I had the thought that my mother was a place for me as well as a person…. But it was my mother herself whom I had come home to. There is no living without a ground, without a sense of space that is not only external but internal – mental loci”. “Ik bedacht dat mijn moeder behalve een persoon ook een plaats voor me was. (…) maar het was mijn moeder zelf bij wie ik thuis gekomen was. Er is geen leven zonder basis, zonder een gevoel van ruimte die niet alleen uitwendig is maar ook inwendig – een locus mentis”,in De zomer zonder mannen, de Bezige Bij, 2014, p.21
  4. Hustvedt Siri, “My Father/myself” in Living, Thinking, Looking, Sceptre, 2012, p.72 : “My own mother’s face, her hands, her touch and voice, have resonated in me all my life and have became part of a legacy I carried with me to my own daughter, an inheritance, which is like music in my body, a wordless knowledge given and received over time”.
  5. Hustvedt Siri, Wat me lief was, Cargo, 2003, p.384, ‘the formulas of explanation that fall short of reality and the inadequacy of symbolic surfaces’ in What I loved, Sceptre, 2003, p. 297
  6. Hustvedt Siri, Louise Bourgeois, in Living, Thinking, Looking, Sceptre, 2012, p.251 : The Cells gives us enchanted access to that fragile topos where memory and fantasy merge.
  7. Hustvedt Siri, De vlammende wereld, de Bezige Bij, 2014, p. 175 ; The Blazing World, Sceptre, 2014, p.136 : “We designed smaller rooms with itsy-bitsy figures and somewhat larger ones. No one of them told clear stories. They were all as murky as dreams”.
  8. Hustvedt Siri, De vlammende wereld, de Bezige Bij, 2014, p.60 ; The Blazing World, Sceptre, 2014, p.44: “Each ‘story’ was lit from inside to create an ‘eerie‘ light”.
  9. Hustvedt Siri, De vlammende wereld, Amsterdam, de Bezige Bij, 2014, p. 267; The Blazing World, Sceptre, 2014, p.210: The Suffocation Rooms “features two large stuffed figures, a chest, and a creepy wax character that might have popped in from another galaxy”.
  10. Blanchot Maurice, L’espace littéraire, Gallimard, 1955.
  11. Hustvedt Siri, “The Bostonians” in A Plea For Eros, Sceptre, 2006, p.150: “I have lived with James’s characters and stories for many years, and they do not leave me. They have become part of who I am”.
  12. Hustvedt Siri, “The Bostonians” in A Plea For Eros, Sceptre, 2006, p.151: “Henry James knew that it was heartbreakingly difficult ta capture the flux of experience in words, to articulate the riddle of human feelings and actions, but this was precisely his ambition, and I, as one of his faithful readers, love him for it”.’
  13. Green André, L’aventure négative. Lecture psychanalytique d’Henry James, 2009, Paris, Herman, coll. Psa, extrait de la Préface.
  14. Hustvedt Siri, “The Bostonians” in A Plea For Eros, Sceptre, 2006, p.151: “Art is for the extension of live, which is the novel’s best gift”.’
  15. Hustvedt Siri, Het verdriet van een Amerikaan, de Bezige Bij, p.9 ; “we allemaal geesten in ons hebben, en het is maar beter als ze spreken”. The sorrows of an American, New York, Picador, 2009, p.1:I think we all have ghosts inside us, and it’s better when they speak than when they don’t.”
  16. Hustvedt Siri, “Yonder” in A Plea for Eros, Sceptre, 2006, p. 28: “books, fictions that are no less part of me than much of my own history.
  17. Hustvedt Siri, “My strange Head”, in Living, Thinking, Looking, Sceptre, 2012, p.32 : “I have been fond of Lewis Carroll’s Alice since childhood. She may have started out as words on a page, but now she inhabits my inner life (…) where she continues to grow and shrink and muse over who in the world she is.”
  18. Hustvedt Siri, “My Father/myself” in Living, Thinking, Looking, Sceptre, 2012, p. 82: “Reading is an internal action.It is the intimate ground where, as my husband says, ‘two consciousnesses touch’. I would add two unconsciousnesses as well”.’
  19. Hustvedt Siri, “Extracts from a story of the wounded self” in A Plea For Eros, Sceptre, 2006, p. 228: “I am afraid for writing, too, because when I write I am always moving toward the unarticulated, the dangerous, the place where the walls don’t hold. I don’t know what’s there, but I’m pulled toward it”.’

Ce message est également disponible en : Frans

%d bloggers liken dit: