Psychoanalyse en wetenschappen, een bijzondere verhouding?

Psychoanalyse en wetenschappen, een bijzondere verhouding?

François Ansermet, Y a-t-il une science du sujet ?

De tekst bestaat momenteel enkel in het Frans (zie Franse versie).

Gevolgd met vragen door Patrick Vandermeersch en Luc Dethier tot François Ansermet.

(Lezingen op het Jubileumcongres van de Belgische School voor Psychoanalyse – mei 2015).


Patrick Vandermeersch – Vraag aan François Ansermet[1]*

Ik dank professor Ansermet op de eerste plaats voor de wijze waarop hij de vraag stelt naar de verhouding tussen psychoanalyse en wetenschap. Doorgaans denk je namelijk meteen dat het moet gaan over het wetenschappelijk statuut van de psychoanalyse, vanuit de vooronderstelling dat wat niet wetenschappelijk is, ook niet kan werken.

Zijn vraag is echter een andere. Hij constateert dat de ontwikkelingen in de neurobiologie en in de geneeskunde in het algemeen, heel wat ongemakkelijke en beangstigende vragen bij heel wat mensen oproept. De nieuwe technieken worden weliswaar toegepast, zelfs op een radicale wijze, maar waar leiden zij ons heen? Wij hebben geen greep meer op de toekomst van deze technieken. François Ansermet pleit ervoor dat de psychoanalyse deze vragen zou beluisteren en er op ingaan, en dit met een nadrukkelijke thematisering van wat haar focus is, het individuele subject.

Nu heb ik een aantal vragen. Vooreerst – ingaand op zijn titel – wat is een wetenschap van het subject? Waarop is die gericht? Voor wie is zij bedoeld? En vanuit die vraag komen er dan andere vragen op.

Ten eerste, ‘wetenschap’ suggereert absolute zekerheid. Daarbij hebben wij het fantasma dat een wetenschap, die zekerheid brengt, goed moet werken en tot een betrouwbaar resultaat leidt. Als je rondom je kijkt, zie je echter dat het niet de meest strikte en objectieveerbare wetenschappen zijn die het in de praktijk doen. Veelal is het door onbetrouwbare pseudowetenschappen dat de mensen zich laten leiden. Denk maar aan pseudoreligieuze opvattingen, maar ook aan economische theorieën. Wetenschappelijke zekerheid en invloed op de praktijk zijn twee verschillende zaken. Evidence-based is niet hetzelfde als scientific knowledge. En dat brengt een tweede vraag naar voren: hoe moet de psychoanalyse spreken als zij haar stem verheft binnen deze kakofonie?

Overigens, voor de psychoanalyse is spreken in het publiek niet altijd evident. Meestal zwijg zij, en als zij spreekt is het tegen een individuele patiënt, wiens individueel levensverhaal zij wil verhelderen. Maar wordt het niet anders als zij iets nieuws probeert over te brengen naar een breder wetenschappelijk publiek toe? Hoe werken overdrachtsverhoudingen daar? Hoe kan men ervoor zorgen gehoord te worden en welke stukken van de psychoanalytische theorie kan men aanboren om in confrontatie in te gaan met de ontdekkingen van de fysiologie?

Tenslotte wil ik even terug naar het boek van 2004 dat Ansermet samen met de neuroloog Pierre Magistretti heeft geschreven, A chacun son cerveau; iedereen heeft zijn eigen hersenen. Het is een interessant boek. De auteur heeft net verteld hoe het tot stand kwam. Aan het begin staat de observatie dat een ervaring in de hersenen sporen nalaat. Die krijgen een zekere autonomie en gaan zich autonoom met andere sporen combineren. Wij worden dus iedere ochtend met een andere hersenen wakker. Maar is dat heel nieuw, zou je je afvragen. Als analytici weten wij toch ook hoezeer ons doen en laten door herinneringen wordt bepaald. Herinneringen slaan we toch op in onze hersenen, dat weten wij. Maar Ansermets visie gaat verder dan dat. Hij stelt dat er in de hersenen een autonome interactie plaats grijpt.

Mijn vraag is of wij hiermee veel verder zijn geraakt dan Freuds inzicht dat onze libido ook door onze hormonen wordt bepaald. Want, in hoeverre bepalen onze hormonen onze libido tot in het detail? Bepalen zij ook het feit of wij op mooie blondjes vallen of op vijftig tinten grijs?

Dus mijn vraag is: hoe gaan we nu concreet en gedetailleerd verder in ons gesprek met de hersenfysiologie en welke stukken van de psychoanalytische theorie kunnen wij hierbij betrekken?

Luc Dethier – Vragen aan François Ansermet[2]*

Beste François Ansermet, ik zal u twee vragen stellen, één over het subject en een andere over de wetenschap.

• De eerste vraag is die naar het waarom – waarom u zo erg vasthoudt aan de term subject. Mijn terughoudendheid om de term “subject” in de psychoanalyse te gebruiken ligt enerzijds in het feit dat Freud met volle kennis van zaken nooit het woord “subject” in die zin heeft gebruikt. Hij zegt altijd “het Ik”. Zelfs de term “subjectiviteit” komt slechts tweemaal in zijn hele werk voor. En de 28 keer dat hij de term “subject” gebruikt is dat nooit in een psycho-filosofische zin: men mag er daarom van uitgaan dat Freud opzettelijk het gebruik van die term wou vermijden[3].

Anderzijds komt mijn terughoudendheid ook voort uit het feit dat Lacan – zoals Jean-Luc Nancy[4] heeft geschreven – veel verwarring heeft gezaaid over dit… subject. Men maakt van het subject een vreemdsoortige entiteit die men voorziet van attributen en handelingen waarvan uitdrukkingen getuigen in de stijl van “het subject wist niet dat…” – en in die zin herleiden deze toekenningen het subject tot een individu of een persoon. Nancy gaat zelfs zover om “aan de psychoanalyse te vragen om van woord te veranderen”. Want inderdaad “als je om het even hoe praat, zeg je uiteindelijk om het even wat“ schreef Michel Lancelot…

Ik denk dat Lacan helemaal niet de dupe was toen hij het woord “subject” gebruikte. Het is een begrip dat nogal evident uit de geschiedenis van de Westerse filosofie stamt. De definitie die hij ervan geeft – dat wat “door een betekenaar gerepresenteerd wordt voor een andere betekenaar” – kent het subject ten juiste titel geen enkele essentie toe, geen enkele substantie, het is in altijddurende verdwijning en kan helemaal niet worden gevat. Het is dus zeker geen individu, geen persoon… Zo moet men er zich niet over verwonderen dat “het subject, dus, daar spreekt men niet tegen” (Ecrits, p. 835). Het subject is wat daarna komt, zoals J. Rancière zei, het is de naam voor wat komen zal, (l’à venir), de naam voor een gebeuren veeleer dan voor een figuur, de naam voor de akt van het eindeloos worden.

Welnu vele analytici die het “subject” stellen tegenover het zelf, of tegenover de persoon of het individu, blijven deze term toch gebruiken alsof hij er een synoniem voor is. En als ze spreken van “het subject” of “het verlangen van het subject” blijven ze nog altijd op het niveau van een psychologie. Subjectiviteit is daarom ook helemaal geen substantief dat de essentie van het subject zou vertalen en “onze vergissing bestaat erin om altijd een substantie te zoeken die beantwoordt aan een substantief” zoals Wittgenstein het uitdrukt.

Ik denk dat uw tekst de verwarring over het “subject” niet echt uit de weg ruimt (een woord trouwens dat ik voor mijn part nooit meer gebruik: ik ontvang mensen). Mijn ergernis wordt gewekt door het gebruik van psychoanalytische categorieën in naam waarvan men het bed van Procustus voor de analysant opbouwt. Met inbegrip van de R-S-I triade van Lacan, waarvan hijzelf[5] voelde hoe nietig deze categorie is om onze wereld te begrijpen, in dit geval om de kunstmatige voortplanting te begrijpen. Zoals Adam Phillips schreef[6], “zijn alle huidige psychoanalytische categorieën […] onder meer parodieën van regelgeving” die uiteindelijk leiden tot intimiderend wollig taalgebruik dat borgstaat voor een gewaarmerkt “onder ons” identiteitsgevoel.

• Mijn tweede vraag gaat over de wetenschap. De wetenschap wacht niet op de psychoanalyse, ze vervolgt haar eigen weg, en zoals Nietsche zei “de onpartijdige kennis is toegenomen, is meer en meer een lust geworden en ze zal een passie worden” (in Der Wille zur Macht, Buch III, Kap. 2).

Lacan schrijft dat er in de psychoanalyse geen ander subject bestaat dan dat van de wetenschap. Voor iemand die toch enigszins (onder andere) Heidegger heeft gelezen is dat een banale bewering in het licht van de geschiedenis van de filosofie en meer nog van de wetenschap als metafysische opdracht voor het probleem van het in zijnde verglijdende zijn en die uiteindelijk het denken beschouwt als beheersing van het reële. Ik herinner eraan dat er voor Heidegger naar wie Lacan natuurlijk verwijst zonder hem te citeren, geen andere moderne wetenschap bestaat dan de mathematica en dat “mathesis” niets anders betekent dan een gebied afbakenen als “kenbaar“; (cfr. uw tekst pp. 52-53[7]). De wetenschap houdt zich enkel bezig met het kenbare, met “fenomenen” in de Kantiaanse betekenis – dat wil zeggen, men brengt het proefobject in de baan van de eigen meetmogelijkheden, men onderwerpt het aan de eigen voorwaarden van experimenteren. En het is daar dat men het keerpunt van de moderne wetenschappelijke revolutie moet zien in referentie aan de copernicaanse revolutie volgens dewelke het de aarde is die rond de zon draait en niet omgekeerd. Mathematica is dus niet een kwestie van cijfers en vergelijkingen, ze is een “geestesgesteldheid van greep krijgen op de dingen” – en om die reden kunnen alle disciplines erdoor aangetast zijn…

In dit debat over de wetenschappelijkheid van de psychoanalyse dat zowel vandaag als gisteren gevoerd wordt door de “tegenstanders” van de psychoanalyse kan men met Mannoni zeggen dat “de betekenis van het woord wetenschap voldoende meerduidig is opdat zij die de psychoanalyse verwerpen omdat ze niet wetenschappelijk zou zijn, evengoed ongelijk hebben als wie haar verdedigt in naam van de wetenschap”[8] – een zekere Visentini heeft zelfs onlangs, in april, een boek gepubliceerd met als titel Waarom de psychoanalyse een wetenschap is

Ik denk niet dat de psychoanalyse de wetenschap een “denkkader” kan aanreiken. Ik denk ook niet dat de psychoanalyse een roeping heeft om vanuit “de hoogte” te onderwijzen wat er moet gedaan worden met betrekking tot wat er met het denken gebeurt. “Wat gebeurt” is reeds de naam van de deconstructie om opnieuw te denken te geven over wat gebeurd is. Maar men moet geen schrik hebben of beschaamd zijn of een apocalyptische toon aanslaan om de psychoanalyse te verdedigen of te bewijzen alsof zij borg zou staan voor het overleven van de menselijkheid van de mens. Het gaat veeleer om een soort psychanalysme die de psychoanalyse van binnenuit aanvreet en haar blootstelt aan het gevaar door het slijk gehaald te worden.

Mijn vraag heeft dus geen betrekking op de gegrondheid van wat u met een sterke en zeer leerrijke bewijsvoering naar voor brengt, maar op de positie die u inneemt. Ik herhaal dat het inderdaad een bepaalde verhouding tot het weten is die op het spel staat… En in dat opzicht denk ik dat we hoeven niet te weten. Niet weten wat men zou moeten, niet weten wat zou moeten zijn. Het moeten-zijn is reeds aan het werk in wat is, en we kunnen door het uitspreken van een decreet geen feitelijke toestand wijzigen. Het zou het toppunt zijn dat een psychoanalyticus zou weten wat er te doen staat “alsof de wereld op hem gewacht had om te weten hoe de wereld moet zijn en wat zij niet is“.

Men kan zeker erg betreuren dat de psychoanalyse niet meer baadt in een geur van heiligheid zoals men dat in de kerk zegt. Ten gronde echter getuigt deze spijt slechts van een variant van idealisering… De laatste zin van uw boek over autisme: “En indien de psychoanalyse een van de toekomstvormen van de genetica zou worden?” lijkt me in dit opzicht een voorbeeldige bezweringsformule te zijn, of, om het anders te zeggen, een vrome wens die haar basis vindt in een zoektocht naar een mogelijke homogenisering tussen psychisme en hersenen, tussen het reële en het bewijs ervan, daar waar de zogenaamde steekhoudende idee dat er in het reële een noodzakelijkheid huist, een illusie is die gecreëerd wordt door de structuur van onze causale modellen… Laat ons kunnen erkennen dat de klokken gemaakt zijn opdat de zon ’s middags op haar hoogtepunt zou staan, dat de zon “de vlammende liefde op de opgetogen aarde uitstort” (Rimbaud) en dat het ware het belangrijkste is, op voorhand reeds verzoend… Ik dank u.

  1. * Overschrijving: Ria Walgraffe-Vanden Broucke. Tekst herzien door de auteur.
  2. * Uit het Frans vertaald door Helen Vandorpe.
  3. Michèle Bompard-Porte, « Le sujet, instance grammaticale selon Freud », L’esprit du Temps, 2006.
  4. in Homme et sujet, Paris, L’Harmattan, 1993.
  5. Séminaire IV, séance du 19/6/1957, p. 357.
  6. in Promesses, p. 94.
  7. François Ansermet, « Y a-t-il une science du sujet ? » in Presme N, Delion P, Missonnier S (Dir.) Recherches en périnatalité. Paris : PUF : 2014, 47-61.
  8. Un si vif étonnement, Seuil, p. 196.

Ce message est également disponible en : Frans

%d bloggers liken dit: