Rudy Vandenborre – Ambrosia wat vloeit mij aan, uw schedelveld is koeler maan

Rudy Vandenborre – Ambrosia wat vloeit mij aan, uw schedelveld is koeler maan

(Lezing op het Jubileumcongres van de Belgische School voor Psychoanalyse – Mei 2015)

Quand j’ai présenté mon premier livre de poésie, ma famille francophone était dans la salle. Ils ont bien aimé les poèmes. Ils n’ont rien compris. Ils se sont dits entre eux : voilà les parents disparus de Rudy, voilà son style et son chant à lui, de l’Autre. Et voilà, là, dans cette voile, c’était là : dans les sons, les intonations, le rythme ; c’était dans les surprises et les blancs – c’était dans l’incompréhensible. Ils n’ont pas compris. Ils ont compris.

Tot hun spijt is hen ook veel ontgaan natuurlijk. (Cela aussi, c’est du belge).

In het beste geval zijn gedichten betekenismachientjes. Het zijn tuigen die de oneindige betekenisproductie bij de lezer in gang zetten of aan de gang houden. Het is niet voor niets dat bij overlijdens en dus bij confrontatie met de eindigheid, zo op poëzie wordt teruggevallen. De gelegenheidsgedichten die ik voor collega’s schreef vertrokken bij een zelfmoord en een bijna-zelfmoord van een jongere op de afdeling.

Gedichten zijn zinsvragen zonder vraagteken. Het zijn zin-tuigen. Ze kunnen zin stichten, wellicht omdat ze nutteloos zijn. Dankzij de poëtische vorm kan het ongedachte denkbaar worden, zowel bij de schrijver als bij de lezer. Kunst is nutteloos (in de beeldende kunst wordt dit geperverteerd door er een beleggingsproduct van te maken – theater, dans en poëzie lenen zich daar minder toe). Kunst is nutteloos – ze kan hoogstens iets fixeren, schoonheid bijvoorbeeld. Het schrijfsel blijfselt. Wie schrijft ook niet blijft.

Een goed gedicht is een blik op de wereld, of vaker nog een oor. Ja, dat kan het extra-perspectief van de dichter zijn: een aanvullende kijk op de dingen of op het ongehoorde dat dan via het gedicht bij een lezer kan gaan horen.

Vaak zijn gedichten mooier naargelang de dichter eruit verdwenen is. M.a.w. wanneer de dichter niet iets wil zeggen met het gedicht maar wanneer het gedicht zegt. Een goed gedicht wil niet iets zeggen, het zegt. Vaak zingt het dan ook, het zingt zich vanzelf los uit de dingen die de woorden zijn en uit de betekenis. Immers wie of wat zich het zeggen ontzegt, zal niet zingen.

De sculptuur, het object, de installatie: het is een blik op ons kijken en op onze vertrouwde voorstellingen die onze ogen opnieuw opent. Zo werkt ook het gedicht als een oor via een verversing van de oren bij de lezer of luisteraar. Die kan dan opnieuw de eigen oren geloven. Opnieuw, want oren verouderen en vervuilen aan de dode taal van de mode van de dag, aan de gescleroseerde taal van het instrumentele en het nuttige. En waarom niet: aan psychoanalytische theorieën of aan poëzie-interpretaties.

Poëzie is een daad van bevestiging – het vers is van Remco Campert en kende zo’n weergaloos dodelijk succes dat de dichter zijn weerga vond en met een nieuw vers het doodgeciteerde vers weer leven inblies. Poëzie is een daad van ontkenning, schreef Campert. Het is aan ons om voort te gaan: poëzie is een daad van ontvestiging; een daad van verkenning, enzovoort, en zo oneindig. Maar wel een daad, een handeling in de wereld.

Verdergaand op het thema van gisteren: misschien is psychotherapie eerder een daad van bevestiging en ontkenning. Een versoepelen van het dubbelzijdig mechaniek van verdringen en bewust worden. Psychotherapie als de creatie van een verhaal – dus van de orde van de roman. Misschien is psychoanalyse van de orde van de poëzie. Psychoanalyse als creatief proces van ontvestiging zodat leven en werkelijkheid rijker kunnen verkend worden.

De analist in mij waarschuwt de therapeut in mij: pas op met zogenaamd goede sessies waarin het gevoel optreedt dat alles op zijn plaats valt. ’s Avonds wordt dan geageerd, bijvoorbeeld door in het lichaam een opening te snijden voor de volgende woorden. Want daar is geen ruimte meer voor als alles op zijn plaats zit.

Het gebeurt dat mijn oren als analist zijn volgelopen met de dingen in de woorden van de analysant: met het gedram en gedaver, met leegte en verveling, met het gedoe van de dingen die des levens heten. Met Beta-elementen, met attacks on my linking ability. Dan gebeurt het dat ik ergens bij dat zelf van mij een stilte opzoek en daar luister naar de beginverzen van Jan Engelmans cantilene: Ambrosia, wat vloeit mij aan? uw schedelveld is koeler maan en alle appels blozen. Geen idee wat het betekent, maar het klinkt goed en het helpt mij wel eens. Het werkt als incantatie: het bezweert en zingt iets los.

Maar wat een onzin: Ambrosia met haar knekelveld dat aanvloeit; de zon is uit, de maan zal wel koel zijn; en dan nog blozen appels in de nacht. Maar wat een zinnelijk ritme en wonderlijk klankspel – althans in Nederlands-gevormde oren (je me demande comment ça résonne chez vous et en quelle mesure la traduction fait sens).

Maar wat een erotiek: een man op een Grieks eiland gaat bij maneschijn het water in en ziet een nimf met maanbeschenen hoofd boven water komen; ze vloeit hem zo aan dat hij ervan gaat blozen.

Een gedicht als een oor of als een oorspuit die het oor leegt. Om de lezer een oor te kunnen aannaaien maakt het de oren leeg. En om dat te bereiken herbergt een gedicht vaak onzin, maar dan wel klinkklaar. Vaak hoort er nonsens bij, van het soort dat ter zake doet. Veel zever ook – want zever is het speeksel bij de woorden die bellen blazen, luchtbellen die openspatten op de dingen. Veel gebazel en gestamel. Kunst is de vertaling van wat je niet weet, schrijft Marlene Dumas.

De schijnletters van Cy Twombly: het lijken privéhiëroglyfen, het is action scribbling. Het zijn nauwelijks woorden of verzen. Ze neigen ernaar. Met als resultaat een witte leegte in de kern van de woorden. Maar uit die grove hompen verf komen basaal en aards stront en sperma, kwijl en drift[1]. Verbaast het ons?

Psychoanalytici houden van onzin. Ze hebben het de gepaste aandacht gegeven: de vrij zwevende. Ze trachten het niet-denken en het net-niet-denken te denken, samen met de analysant. Onze theoretici geven het telkens nieuwe namen: beta-elementen, het reële, de formele betekenaars. Het is pictogrammatica of semiotische taal of hallucinose; het zijn de dingdongvoorstellingen. Diejen is gebeld – zegt het dialect. In de poëzie worden deze elementen in en door het gedicht getransformeerd: tot taalplezier, vaak tot betekenisverrijking, steeds tot nieuw betekenisgebrek. Maar meestal en ook tot betekenisleging.

Gedichten zijn onzin-tuigen. Machientjes om de dode onzin van het leven tot leven te wekken, tot levende onzin. Leugens om waarheid te maken. Zou Ambrosia de zeenimf mij dat doen aanvloeien?

Gerhard Richter schilderde grijze monochromen. Wanneer hij meerdere werken exposeert, plaatst hij daar vaak zo’n grijs schilderij bij. Als een leeg gat dat voor mogelijkheden zorgt – net omdat een grijs vlak nauwelijks of geen visuele associaties oproept volgens hem. Ik bedoel niet dat de analist een grijze vlek dient te zijn. Het leert eerder dat zowel bij analist als analysant een grijze nietszeggende zone aanwezig is. Het gaat niet om neutraliteit; maar bijvoorbeeld om de ruimte van het niets. Een noodzakelijke ruimte om telkens opnieuw te kunnen beginnen. Zouden we dat liefde kunnen noemen? Met een grijs betekenisloos vlak als de mogelijkheid om lief te hebben.

In de Nederlandstalige poëzie wordt het betekenisloze gedicht soms ook gezocht – maar nooit gevonden. Oote oote boe was er het dichtste bij. Klanken zonder betekenisassociatie: ze bestaan niet.

Wat zou Ambrosia in mijn edel veld zaaien? Engelman schreef het gedicht als een ode aan de Braziliaanse zangeres Vera Janacopoulos. Hij schreef het in 1926, in 5 minuten, op café, in een roes na het concert. De Nederlandse poëzie scheurde in twee. Sommigen zagen het als het einde van de poëzie. Voor hen was het gedicht een gewichtloos spel zonder betekenis. Anderen loofden het muzikale, het vederlichte van het animale.

Mij werd gevraagd om te getuigen hoe kunst mijn praktijk beïnvloedt. Ik gaf enkele omzwervende indicaties. Ik zou het niet weten, die invloeden. Zou ik het willen weten?

In de teams waarin ik werk spoort mijn manier van denken makkelijk met de inzichten van collega’s die met kunst bezig zijn: muziek- en beeldend therapeuten bvb. Makkelijker dan met de beleidstaal, de PIC-taal (Psychiatrisch Industrieel Complex). Maar zou dat niet zo zijn voor de meeste analisten?

Zit er muziek in mijn praktijk? Op Freudse manier denk ik daar weinig over na.

Misschien is er een parallel tussen free jazz concerten en het groepstherapeutisch werk met psychotische jongeren. Ik kan luisteren – het is eerder wachten dat luisteren – naar schelle high hats, naar instrumenten die werkelijk compleet loos gaan en los van elkaar op de rand van het muziekloze balanceren. Ik beleef ellendig plezier om in de chaos eerst vreemde verbanden te horen, flarden van de standards, af en toe een lijntje. En plots een ruimte van nonsens of aanstalt. Van telkens opnieuw beginnen.

« Un sujet ne préexiste pas à sa création » – zoals Jean Florence in het subtiele en zeer onderbouwde Art et thérapie : Liaison dangereuse ? schrijft. De free jazz ervaring maak ik mee in de groepen van jongeren met een psychotische fragiliteit. In het tumult van het voor-bestaan van het subject duiken de eerste bindingspogingen op. Wanneer ik baby’s en peuters bezig zie in het Maison verte –is dat ook eerder met free jazz dan met een cantate te vergelijken. Staat de ene ervaring in verband met de andere? Zou er een freejazz-heid zijn? Of is het gewoon rudyfrenie?

Ik kreeg duizend achthonderd woorden om poëtisch en vertaalbaar (een schier onmogelijke combinatie[2] onmogelijk is) mijn punt naar voor te brengen. Vandaar eindelijk het powerpoint. Ik heb u hopelijk met omleidingen en verleidingen zoveel niets verteld dat mijn positie schedelveld-blozend duidelijk werd.

Geen analytische duidingen van kunstenaars tenzij in hun analyse. Wel leren van de creatieve processen die kunstenaars ons tonen; omdat psychoanalyse een creatief proces is maar geen kunst. Via het afschrikwekkend schone (Rilke[3]) telkens weer tot aanvang komen. Via ontvestiging op verkenning kunnen gaan. Misschien geven we op die manier zowel kunst als psychoanalyse wat hen toekomt: niets. Het niets van ce qu’on n’a pas.

Ach ja, Ambrosia. Zou het echt nonsens zijn, dat gedicht? Is het toeval dat net die beginverzen vitaliserend werken? Zou je dat niet eens analyseren, dit is het jubileum van de analisten en niet van de dichtersbond. Hoe gaat dat gedicht verder, wat schuilt daar dat je niet wil weten?

Er is een klankgazelle en een kindermond van rozen die rijmen op blozen. Er is een muze (oei), een minnares (oeioei) en een god (oeioeioei) verscholen. En het gedicht eindigt met: elysium, de vlinders los en duizendjarig dolen.

Op zoek naar je “EuRUDYce”, je ontbroken nimfijnen zus?

Spijtig, oef: ik heb nog slechts recht op 7 woorden en dat wordt de letter a.

vera janacopoulos – cantilene

 

ambrosia, wat vloeit mij aan
uw schedelveld is koeler maan
en alle appels blozen

de klankgazelle die ik vond
hoe zoete zoele kindermond
van zeeschuim en van rozen

o muze in het morgenlicht
o minnares en slank gedicht
er is een god verscholen

violen vlagen op het mos
elysium, de vlinders los
en duizendjarig dolen

Jan Engelman

  1. Roland Barthes zag er kaons in, de zen-boeddhistische raadsels die via verwarring tot verlichting leiden, tot satori – een toestand waarbij het denken ondergeschikt is aan de directe waarneming.
  2. Het onvertaalbare is net het poëtische.
  3. Denn das Schöne ist nichts als des Schrecklichen Anfang.

Ce message est également disponible en : Frans

%d bloggers liken dit: