Vincent Magos – Voor een psychoanalyse in een niet steriele omgeving*

Vincent Magos – Voor een psychoanalyse in een niet steriele omgeving[1]*

(Lezing op het Jubileumcongres van de Belgische School voor Psychoanalyse – Mei 2015)

De Belgische School voor Psychoanalyse viert haar 50ste verjaardag. Als men op die leeftijd niet in kwezelarij vervallen is, bestaat er enige kans dat men in staat is geweest om uit de overdracht naar de meesters los te komen. Loskomen uit de overdracht betekent dat men zich heeft kunnen ontdoen van de overdrachtelijke verblinding maar het stimulerende ervan heeft behouden.

Graag zou ik met u willen nadenken over twee soorten verblinding :

– enkel de psychische realiteit telt ?

– uitsluitend psychoanalyses doen zou het nec plus ultra zijn voor de psychoanalyticus/ca?

  1. Koper of Goud?

Kunnen wij ons als analyticus/ca tevreden stellen met een aseptische positie en de opvatting huldigen dat enkel het psychisch leven ons zuiver werkobject is? En des te zuiverder omdat het mogelijk zou zijn om deze psychische realiteit te isoleren? Wat onze patiënten vertellen zou louter in relatie staan tot het infantiele? Alles zou slechts herhaling zijn?

Eigenlijk ziet het ernaar uit alsof sommigen uit schrik voor een terugkeer tot de Freudiaanse neurotica uit de prehistorie van de psychoanalyse, een subject hopen te vinden dat als het ware geïsoleerd in een steriele omgeving zou bestaan.

U weet het… Het wordt niet altijd met een goedkeurend oog bekeken als men zich bezighoudt met de reële omgeving van de mensen die ons komen consulteren en nog minder met de realiteit van degenen die ons NIET komen consulteren. Men heeft ons zodanig de oren afgezaagd met het verhaal van het goud en het koper dat het zuiverheidsideaal als Graal verschijnt en ons doet vergeten hoezeer de zoektocht naar zuiverheid met gevaren bezaaid is.

  1. Cultuurarbeid en hypermoderniteit

Vanaf 1908[2] verschijnt bij Freud nochtans het begrip “cultuurarbeid”. Hij komt er meermaals op terug dat ‘verzaken aan de driftbevrediging” het bestaan van de beschaving garandeert (..). Rechten en plichten beschermen het individu in de maatschappij tegen geweld en tomeloze wedijver.

Rechten en plichten – voor zover ze minimaal gedeeld worden… – vormen wat men het kader kan noemen van de metapsychische formaties die het stutwerk vormen voor de intrapsychische formaties. Anders gezegd worden de driftbewegingen die geen vrije uitdrukking kunnen vinden in de cultuur gesublimeerd. Arbeid kunnen we beschouwen als een vorm van cultuur.

Freud[3] verduidelijkt dat de ontwikkeling van de beschaving de willekeur van een kaste beoogt te verhinderen in het belang van een hergroepering op bredere basis. Het rijk van de sterkste verdwijnt ten gunste van de unie van verschillende zwakkere eenheden; door deze eenmaking wordt het geweld gebroken. “Een weg heeft ons geleid van geweld naar recht.”

Van geweld naar recht… ? Met de opkomst van de hypermoderniteit hebben onze westerse maatschappijen het daarmee toch moeilijk.

Na de moderniteit en de postmoderniteit die begonnen is na het einde van de tweede wereldoorlog is de hypermoderniteit aan haar opgang begonnen. Men neemt gewoonlijk aan dat dit tegen het eind van de jaren tachtig gebeurd is met de val van de Berlijnse muur als afbakeningspunt.

Het ‘hyper’ heeft zijn heerschappij eindeloos uitgebreid. We hebben hyperactiviteit, hyperstimulatie, hypercommunicatie, hyperconsumptie… maar ook hyper trading. Denken we eraan dat de jaren tachtig het begin waren van de financiële deregulatie die door Reagan en Thatcher werd ingeleid en waarvan de gevolgen vandaag zichtbaar zijn: de loonkloof neemt toe, veel vaker wordt er op sociale bijstand en zelfs op “voedselbonnen” een beroep gedaan.

De onzekerheid… We komen erop terug.

Freud stelt dus vast dat psychisch lijden niet enkel binnen de psyche ontstaat maar zijn oorsprong vindt in het sociale, in de cultuur; dat psychisch lijden “het gevolg is van menselijke relaties”[4]. Dat heeft tussen de twee wereldoorlogen geleid tot de creatie van psychoanalytische opvangcentra[5].

De geschiedenis van de psychoanalyse wordt aan elkaar geregen door analytici die nagedacht hebben over de verknoping tussen de sociale en de psychische realiteit. In de francofone traditie hebben we met name Castoriades, Gerard Mendel, Christophe Dejours, Miguel Benassayag… of nog René Kaës en zijn collega’s.

  1. De interacties tussen sociaal en psychisch leven

René Kaës heeft een belangrijk deel van zijn werk gewijd aan de ontwikkeling van de hypothese “dat de psychische realiteit bestaat uit verschillende ruimten, dat deze ruimten op een eigen manier gevormd worden en eigen processen doorlopen, dat ze met elkaar verknoopt zijn, met elkaar communiceren en met elkaar interfereren”[6].

Kaës onderscheidt intrapsychische ruimten (van het individuele subject), interpsychische en transpsychische ruimten, (die “de band configureren”) maar hij onderscheidt daarnaast ook meer uitgebreide ruimten die opgebouwd worden “binnen de maatschappij en haar instellingen, binnen de cultuur en de religie, binnen de grote collectieve verhalen, de mythes, de ideologieën, de utopieën”[7].

“Elke ruimte wordt ondersteund en bewerkt door wie ze omkadert, ze omvat en ze optilt naar een hoger logisch niveau”[8].

Kaës spreekt over de metapsychische en metasociale formaties die een stuttende en ondersteunende functie hebben, die borgen en omkaderen[9]. Welnu in onze tijd zijn net deze functies verzwakt: “de disjunctie tussen individu, gemeenschap en sociaal veld brengt paradoxaal typische vormen van sociale participatie en sociale relaties met zich mee die consumptief, veranderbaar, onstabiel zijn . Het zijn voorbijgaande conglomeraten, of communicatienetwerken waarin een subject geen plaats krijgt in het geheel: niet als sociaal subject, niet als politiek subject, niet als economische actor, noch als psychisch subject[10]… “.

Laten we een omweg maken via Bion. In zijn denkwereld krijgt de nieuwgeboren baby te maken met bèta-elementen: ruwe zintuiglijke waarnemingen, belevingen van achtervolging, van depressie, emoties die het kind niet kan integreren zonder de aanwezigheid van de moeder – van de omgeving, zou Winnicott zeggen. Zij zal aan het kind haar vermogen lenen om die ‘ongedifferentieerde emotionele belevingen’ die voor de baby niet voorstelbaar zijn, te denken en te vertalen – dus te symboliseren. Dat is wat Bion alfa-elementen noemt.

Kaës suggereert dat de hypermoderniteit waarin we ons op dit ogenblik bevinden en het kapotgaan van de metapsychische borgstelling een “desintegratie teweegbrengt en psychische elementen vrijmaakt die de cultuurarbeid aanvallen: bèta-elementen op schaal van de mensheid[11]”.

Of om het met andere woorden te zeggen: wanneer het pact ontbreekt dat steunt op de fundamentele verboden en ook het contract om te verzaken aan de onmiddellijke bevrediging van de driftdoelen, falen de vermogens om de driften te transformeren[12].

  1. Het kapotmaken van de metapsychische ruimte en de gevolgen ervan

Het verbod om te doden wordt bijvoorbeeld in de Verenigde Staten van Amerika met de voeten getreden : elke dinsdag zit Obama een vergadering voor die de lijst opstelt van terroristen die via drones moeten worden “geëlimineerd”. Men kan zich erover verbazen dateen president – jurist persoonlijk de personen uitkiest die moeten vermoord worden wie ze ook zijn, waar ze zich ook bevinden […] ongevoelig voor de internationale wet, voor de soevereiniteit van de naties […] voor elke wettelijke procedure, voor de grondwet van de VSA en voor de gangbare moraal”[13].

Maar ook het beschermend sociaal kader gaat kapot. Wie De Schockdoctrine van Naomi Klein heeft gelezen zal de verbinding kunnen leggen tussen de manier waarop de zakenwereld gebruik maakt van politieke (Pinochet) of natuurlijke catastrofen (de orkaan Katrina) en wat wij een aanval op het prikkelscherm noemen. Een voorbeeld daarvan vinden we niet ver van ons in het Griekenland van de voorbije jaren.

De Troïka heeft het kader van de democratische organisatie vernietigd, met name het wetgevend apparaat maar ook wat eruit voortvloeit:

de organisatie van de arbeid…

… de organisatie van justitie

… of het gezondheidszorgsysteem[14]. Dat is zo kapotgemaakt dat 47% van de Grieken op dit moment geen toegang meer hebben tot een adequate verzorging: ofwel omdat die niet meer bestaat of omdat de mensen ze niet meer kunnen betalen, of omdat de multinationals Griekenland niet meer bedienen omdat de facturen onbetaald blijven – we spreken over kankerbehandelingen, niet over vitamines.

We kunnen hierover nadenken in termen van precariteit of onzekerheid.We kunnen ook een term uit ons vocabularium gebruiken en verwijzen naar de toestand van hulpeloosheid (Hilflosigkeit), de psychische ontreddering van de zuigeling die het prototype[15] is van het soort lijden dat terugkomt in deze situaties van onzekerheid, van sociale en psychische ontbinding (Entbindung/déliaison).

In deze toestand van hulpeloosheid die Freud heeft beschreven, verschijnt het lijden als iets diffuus dat door het subject niet goed kan beheerst worden. Freud preciseert dat deze primitieve angst geen waarschuwingssignaal voor het ik kan worden. Deze zo genaamde “automatische” angst zal zich telkens voordoen op het moment dat men zich in een traumatische situatie bevindt, met andere woorden in een situatie waar het prikkelscherm doorbroken wordt door een te grote hoeveelheid energie[16].

Als men op dit moment naar Griekenland kijkt: waarin bestaat dan het reële van de hulpeloosheid?

Men stelt een sterke toename vast van het aantal abortussen, van het aantal pasgeborenen dat in het hospitaal wordt achtergelaten en er is een dramatische toename van in utero-(21%) en van de kindersterfte (40%).

Er is een explosie van ziekenhuisinfecties, een verdubbeling van de tuberculosegevallen, malaria die sinds veertig jaar verdwenen was duikt opnieuw op en… de HIV infecties hebben zich met 700 vermenigvuldigd![17].

Vóór het begin van de financiële crisis had Griekenland het laagste zelfdodingcijfer van Europa[18]. Nu is dat cijfer met 45% gestegen.

Bij mijn reflectie hierover heb ik gebruik gemaakt van de werken van Kaës en van voorbeelden die verbonden zijn met de sociale organisatie. Ik zou evengoed hetzelfde discours hebben kunnen houden op basis van boeken die betrekking hebben op de ondraaglijke werkomstandigheden zoals ze jarenlang door Christophe Dejours[19] werden onderzocht. Daarin heeft hij het trouwens ook over zelfdoding.

(Ik heb vandaag niet voldoende tijd om in te gaan op de manier waarop rekening houden met de realiteit de manier zal beïnvloeden waarop we – ook naar dromen luisteren terwijl we tegelijk toch psychoanalytisch kunnen blijven, daarvan ben ik overtuigd).

  1. Een kool in een koelkast

Een artikel uit 1982[20] is als een vraagteken in mijn herinnering blijven hangen. Het is het verhaal van een kool in een koelkast. Het verhaal speelt zich af in een Latijns-Amerikaans land onder een dictatuur. Een analysant vertelt een droom en associeert vervolgens zaken die hoewel ze te maken hebben met het oedipale, door de analytica anders worden geïnterpreteerd. Na enige aarzeling geeft ze een duiding die laat verstaan dat er misschien echt wel iets gevaarlijk kon zitten in de zeer reële kool die in de koelkast lag en een cadeau was van een oom.

  1. Waarvan dromen de Grieken?

Andere casus. Te midden van een serie dromen die door een analysant gebracht worden duikt een vreemde droom op: een atoombom ontploft, gezichten zijn met puisten bedekt. “Dat de mensen een manier hebben gecreëerd om hun soort te vernietigen is een probleem” geeft hij als enige associatie. En hij gaat snel verder met het vertellen van andere dromen die duidelijk met zijn probleem verband houden. Als ik later op de puisten terugkom, krijg ik als enig antwoord dat dit een cliché is over mensen die door radioactieve straling getroffen zijn. Ik dring niet aan, sla de droom op in een hoekje van mijn geheugen en laat ondertussen mijn eigen associaties de vrije loop.

Is deze droom louter een vreemde indringer in de sessie? Of zou die droom een exploderende stralende, kwetsende actualiteit in zijn psychisch leven vertegenwoordigen, actief aanwezig stellen ? (…)

De droom die op die manier zijn intrede doet in de sessie doet mij denken aan het boek van Charlotte Beradt Das dritte Reich des Traums (München, 1966) dat meer dan 300 dromen bevat die ze heeft opgeschreven tussen 1933 en 1939 vooraleer ze naar Groot-Brittannië en vervolgens naar de VSA is uitgeweken. Daar publiceert ze een eerste artikel dat pas in 1966 een boek zal worden.

  1. Volstaat een individuele analyse?

Ik kom stilaan tot de kwestie van de psychoanalyse buiten een steriele omgeving – als Freud de metafoor van de chirurg[21] gebruikt, doet hij dat om te spreken over de tegenoverdracht en niet over onze werkruimte.

Zijn we van oordeel dat een individuele kuur volstaat? En indien ze niet volstaat, welke zijn dan de factoren die ons toelaten om psychoanalyticus/ca te blijven of laten we zeggen “psychist“ – ik kom op deze term terug – en niet maatschappelijk werker, vakbondsafgevaardigde, militant te worden…

Hoewel… Als we Castoridiadis volgen kunnen we de autonomie van het subject niet denken zonder de autonomie van de maatschappij en haar instellingen te veronderstellen.

De vraag of een individuele analyse volstaat, beantwoordde Freud reeds op het einde van de oorlog met zijn mening dat “wij iedere dag meer en meer vaststellen dat de verschillende vormen van de door ons behandelde ziekten niet kunnen genezen worden door één en dezelfde techniek[22]“.

Bovendien vind ik dat er vandaag genoeg redenen zijn om voorzichtig te zijn als de individuele voorzieningen bevoorrecht worden. Wij leven in een tijd waarin iedereen heel erg op zichzelf wordt teruggeworpen. Vandaar het belang dat we moeten hechten aan de groepsprocessen die naar mijn aanvoelen niet genoeg gebruikt worden.

Maar de voornaamste reden ligt in de ingezette defensiemechanismen.

Roussillon spreekt over primaire trauma’s of “traumatische ervaringen” die niet gesymboliseerd zijn kunnen worden en diepe sporen hebben achtergelaten in het psychisch functioneren van de patiënt. Enerzijds gaat het om zeer vroegtijdige ervaringen op een leeftijd waarop het kind nog niet over het noodzakelijke psychische apparaat beschikt om zich te kunnen voorstellen wat er met hem gebeurt. Anderzijds gaat het om ervaringen die men heeft opgedaan in extreme situaties: (staatsgeweld, crimineel geweld, natuurlijke catastrofen, enz.)[23]. Dit sluit aan bij wat François Gantheret over de dromen in het Derde Rijk heeft gezegd.

Deze primaire traumatische toestanden zijn toestanden van ontreddering zonder voorstelling, zonder redding of uitweg, niet intern, niet extern, voorbij gemis en hoop. […] De enig mogelijke uitweg uit deze situatie is een paradoxale uitweg: het subject stelt zijn psychisch overleven veilig door zich van zijn subjectiviteit af te snijden. […] Deze primaire traumatische toestanden liggen aan de basis van een narcistische identiteitsproblematiek bij het uitgesloten subject. Dit lijden komt niet voort uit een structurele organisatie zoals bij de narcistische pathologieën maar vindt zijn specificiteit in het splitsingsproces dat ingeschakeld wordt om aan extreme situaties het hoofd te bieden[24].

Piera Aulagnier spreekt van aliënatie/vervreemding waardoor het Ik van het subject dat zich identificeert met het maatschappelijk vertoog het conflict of de twijfel probeert te vermijden en zo zijn zekerheid terugwinnen. Roussillon gebruikt dezelfde term om de wanhopige poging aan te duiden om zich aan een vervangende identiteit vast te klampen die, hoe vervreemdend en narcistisch devaloriserend ook, beter is dan anomie[25]. Hij heeft het eveneens over de energetische neutralisatie die tot doel heeft de terugkeer van het afgesplitste te neutraliseren door het psychisch leven op zo’n manier te organiseren dat de objectinvesteringen die het risico inhouden om een traumatische zone te reactiveren maximaal worden ingeperkt[26].

Jean Furtos en zijn collega’s spreken over een proces van zelfuitsluiting dat paradoxaal de uitgeslotene ertoe zou aanzetten om zich van zichzelf en van elke band met het object buiten te sluiten om zich voor het lijden te behoeden. Dit verdedigingsmechanisme zou dan het uiteindelijke middel zijn dat in elk een proces van uitsluiting gebruikt wordt. In extreme situaties immers van sociale precariteit, bij ziekten die tot uitstoting kunnen leiden of in oorlogssituaties… loopt de mens het risico dat hij zich niet meer als menselijk wezen erkend voelt[27]. Als de kliniek op het Reële stoot , spreken Davoine en Gaudillère van een afgeschermd onbewuste[28].

Andere auteurs beschrijven nog andere verdedigingsmechanismen. Volgens mij is het belangrijk om hier het feit te erkennen dat de ontbinding van de hypermoderniteit tot resultaat heeft dat defensiemechanismen in gang worden gezet die totaal verschillend zijn van de verdringing. Vandaar dus dat het belangrijk is om het dienstenaanbod (ik neem afstand van: Er zijn redenen om de vraag af te wachten) niet uitsluitend te bekijken in termen van een typische kuur of individuele gesprekken maar ook in termen van diensten, van structuren, van een politiek… die belang hechten aan deze defensiemechanismen die pogen een band te herstellen tussen de intrapsychische ruimten en de verschillende metapsychische ruimten die het subject ondersteunen.

Om terug te komen op Bion en op de archaïsche positie van de zuigeling: het is de actieve participatie van de moeder met de behoeften, met de hallucinatie van de baby die de baby in staat zal stellen om zich te ontwikkelen.

Maar de vraag naar een adequate voorziening bestaat niet enkel voor de patiënt. In een veralgemeende situatie van precariteit zoals dat nu het geval is in Griekenland maar morgen misschien ook wel in ons land, zit ook de analyticus vast in een sociaal klimaat die de manier zal veranderen waarop men niet enkel met het lijden maar ook met de overdrachtsmodaliteiten rekening houdt, of die zelfs onbewuste bondgenootschappen zal installeren. We moeten maar onze Latijns-Amerikaanse collega’s lezen die gewerkt hebben onder de dictatuur en achteraf de verschillende praktijken met elkaar vergelijken. “In deze situatie gaf het trouw blijven aan de neutraliteit aanleiding tot een iatrogene kliniek” en had dat ook een schadelijke invloed op bepaalde psychoanalytische instellingen. Omgekeerd – vertellen ze – dat andere clinici zich aansloten bij de mensenrechtenbeweging, bijvoorbeeld bij de moeders van de Plaza de Mayo, maar dan wel als een specifieke afdeling. “De overtuiging groeide dat individueel psychisch werk niet kon gerealiseerd worden tenzij vanuit een hernieuwde politieke zingeving. Een hernieuwde zingeving die een vertrekpunt was om uit de passiviteit van het traumatische de overstap te maken naar de activiteit van de protagonist. […] Door deel te nemen konden we vanuit die plaatsen theoretische vraagstellingen opnieuw formuleren en nieuwe voorzieningen ontwikkelen[29].

Er bestaat geen enkele reden om het werk van een analyticus/ca te verwarren met een techniek.

  1. Om welke voorzieningen gaat het?

Freud[30] zelf drukte al in 1918 op het Internationaal Congres voor Psychoanalyse in Budapest, de wens uit om de mogelijke aanwendingen van de psychoanalyse uit te breiden naar instellingen die volgens deze methode zouden geleid worden en opgericht zouden worden om zieken op te vangen met ernstiger pathologieën dan de westerse “middengewicht klasse” neurosen.

Maar wat zijn dat dan wel voor plaatsen ?

Volgens mij is niet zozeer het soort activiteit van belang maar wel de manier waarop die activiteit opgevat wordt. Of het nu gaat om een “Maison verte”, om een volkssoep, een gedeelde tuin, een wasplaats, een straattheater, een rommelmarkt… Net als bij een Legostukje, is het niet de module zelf die het spel uitmaakt maar de manier waarop we er ons mee bezighouden.

Het sociale object – het maakt niet uit hetwelk – zou dan ook op dezelfde manier kunnen opgevat worden als speelgoed dat ons toelaat om met een kind in relatie te treden of als een brok klei die een hulp vormt voor de relatie met een psychotisch iemand.

Auteurs als Roussillon of Fedida stellen voor om de term “spelob” (“objeu”) van Francis Ponge te gebruiken. “Het spelob is het spelobject/object van het spel, het object waarmee men speelt, het object waarmee men speelt op het moment zelf dat men speelt, maar het “spelob” is ook het spel als object voor de psyche, als object dat door de psyche geïnvesteerd wordt om in te zetten wat er voor de psyche op het spel staat”[31].

Laten we nu even de hoofdlijnen schetsen van de manier waarop we kader en overdracht die onze specificiteit als analyticus/ca smeden, hierbij kunnen betrekken. Ik laat minder complexe vragen zoals de vrije associatie achterwege.

  1. Kader en Overdracht

Om bondig te zijn, zou men kunnen zeggen dat het kader een factor is die – met de abstinentie van de analyticus/ca – in de klassieke analyse de overdracht, de overdrachtsneurose uitlokt.

De situaties die ons vandaag zorgen baren zijn van een andere orde en hebben dus tot gevolg dat we anders gaan denken over de kwesties van het kader en de overdracht.

Het is niet zo dat we ons richten tot personen die niet neurotisch zijn, maar we richten ons meer op het feit dat het leed dat een maatschappelijke oorsprong heeft de subjecten in hun psychotische kanten aantast. Daarmee halen we nogmaals Bion aan die zegt dat elk individu of hij nu neurotisch is of “normaal” een psychotisch deel in zijn persoonlijkheid bezit. Dit psychotisch deel van de persoonlijkheid bestaat naast de niet-psychotische of neurotische delen. “Beide delen zijn gesplitst en verschillen in hun functioneren”[32]. Dejours spreekt over een ‘amentieel ‘onbewuste.

Door samen met Bion op die manier te denken kunnen we uit de discussie geraken over de vraag of er nu al dan niet nieuwe structuren zijn.

  1. Een vóóroverdracht

Liever dan over een overdracht is er misschien wel reden toe om te spreken over het “ enten van een overdracht” (Gisela Pankow) , een vóóroverdracht” (Lucien Israël) of van het installeren van een atmosfeer van ondersteuning die het misschien zal mogelijk maken om later een “klassieke” overdracht te laten ontstaan.

Er is eigenlijk niets dat verhindert dat er overdracht plaats vindt op een hulpverlener, maar de voorkeur gaat toch uit naar overdracht op een dienst, een team, een plaats. Bij teleonthaal bijvoorbeeld zijn de luisteraars anoniem. De moeilijkheden van de omgang met een klassieke overdracht of de nutteloosheid ervan worden zo schrander terzijde geschoven.

Een overdracht op een instelling of op een groep brengt ook een andere belangrijke verandering met zich mee: er zijn nu tal van overdrachten die tussen de gebruikers van eenzelfde instelling kunnen wisselen.

Een van de interessante kanten van het werken met groepen (psychodrama bijvoorbeeld) ligt in het feit dat er een atmosfeer van solidariteit heerst die een zeer kostbare ondersteuning biedt aan personen die het vaak moeilijk hebben met hun sociale relaties. Op theoretisch vlak heeft men te weinig aandacht besteed aan het belang voor de participant om zijn vermogen als helpend wezen te ervaren.

  1. Een kneedbaar kader

Wat het kader betreft, gaat het er niet zozeer om een vooraf bepaalde ruimte te kunnen aanbieden die strikt aan tijd, plaats en prijs gebonden is, maar veeleer om een ruimte die voldoende veiligheid biedt om langzaam een prikkelscherm te kunnen opbouwen en om een therapeutische ruimte te installeren. In dit opzicht kunnen de forische functie of het concept van kneedbaar medium ons helpen.

Ik ruk deze concepten uit hun oorspronkelijke context omdat ik, liever dan nieuwe concepten uit te vinden, het verkies om na te denken hoe bestaande concepten ons kunnen helpen om inzicht in de materie te krijgen.

In deze voorzieningen draagt de forische functie[33] mijn voorkeur weg omdat ze een ontvangende, containende en dragende, een ondersteunde functie is… Goed genoeg maar ook genoeg niet te goed om actief de strijd te kunnen aangaan met de primaire startangst van het leven die eigenlijk angst is om te vallen”[34].

Ik vind “kneedbaar medium” een vruchtbaar begrip, niet enkel als concept maar ook als betekenaar omdat het ook teams die niet in de psychoanalyse baden, tot denken kan aansporen.

Het concept komt van Marion Milner[35]. Ze werd tegelijk geïnspireerd door haar schilderkunst en door haar klinische praktijk met psychotische kinderen waarin zich een tegenoverdracht ontwikkelt met het overheersend gevoel dat zijzelf zowel als de concrete elementen van de speelruimte behandeld worden als manipuleerbare objecten die naar believen kunnen getransformeerd worden. Zij begrijpt dat zij haar neiging om te interpreteren moet wijzigen en een behoefte moet concipiëren die in de overdracht ontstaat om de analytica en het kader te gebruiken op een manier die analoog is aan het medium van de kunstenaar en die meer is dan een defensie.

Bij kneedbaar medium kunnen wij bijvoorbeeld denken aan plasticine. Maar zij gaat verder: ze definieert dat medium als een modaliteit om niet enkel het materieel kader maar ook als een modaliteit om de therapeut te gebruiken. Het kneedbaar medium verwijst dus tegelijk naar de materialiteit van het kader en naar de overdrachtsdimensie. […] Het kneedbare medium is tegelijk het kader en de therapeut[36].

Ik denk dat het een bijzonder interessant concept is als men het eens is om het uit te breiden tot aangeboden activiteiten, tot een atelier bijvoorbeeld, omdat men ervan uitgaat dat alles goed is om gesymboliseerd te worden, voor zover alle aandacht uitgaat naar het ontwikkelingsproces.

Behalve het kneedbare medium, de forische functie, de symboliserende functie van het object, (Roussillon[37]) of de concepten container/containing staan er eigenlijk nog een hele reeks theoretische concepten tot onze beschikking die in relatie staan tot de mogelijke ruimte, tot de alfa-elementen van Bion. Het zijn concepten die werden gesmeed door mensen die al jarenlang bezig zijn met na te denken over de institutionele therapie, over het prikkelscherm dat noodzakelijk is om psychotici op te vangen, over het werk met mensen die onder een trauma hebben geleden of nog over het werk dat verricht wordt op een breder sociaal niveau zoals ik gepoogd heb te doen met het preventieprogramma Yapaka.

  1. “De nieuwe wegen van de psychoanalytische therapie”

“Nemen we eens aan dat het ons door enigerlei organisatie lukt onze gelederen zover uit te breiden dat er voldoende artsen zullen zijn om grotere aantallen mensen te behandelen.

Dan zullen wij voor de taak staan om onze techniek aan de nieuwe condities aan te passen. […] Maar hoe deze psychotherapie voor het volk ook vorm zal krijgen, uit welke elementen ze ook zal worden samengesteld, het werkzaamst en belangrijkst zullen stellig de bestanddelen blijven die ontleend zijn aan de strenge psychoanalyse, de psychoanalyse die vrij is van tendensen“[38], Freud 1918.

Laten we besluiten:

– De psychische realiteit willen isoleren staat op gelijke voet als hopen een neurose te vinden onder een neuron. We beschikken over de conceptuele werktuigen om de verbanden tussen de psychische realiteit en de sociale realiteit te vatten.

– We weten dat voor vele situaties de analyse – ik zou zelfs zeggen ook het face-à-face gesprek – niet de meest geschikte middelen zijn. We kunnen met Anne Millet zeggen dat een analyse wellicht de koninklijke weg is om te leren, maar niet noodzakelijk de koninklijke weg om te verzorgen.

– Wij beschikken ook over de theoretische middelen om andere voorzieningen te bedenken.

En nochtans blijven we al te vaak dromen van een zuiverheid waarin het debat over psychoanalyse/psychotherapie gelijkt op het debat over het geslacht van de engelen.

Laten we afsluiten zoals Freud die De toekomst van een illusie afsloot met een citaat van Heine:

“De Hemel laten we over

aan de engelen en aan de mussen”.

Buiten een steriel kader werken zal, denk ik, onze uitdaging zijn voor de volgende 50 jaar. Ziedaar waarom ik me gelukkig voel om het woord te geven aan collega’s die zich hiervoor reeds hebben ingezet.

  1. * Uit het Frans vertaald door Helen Van Dorpe (beknopte versie).
  2. Freud S., (1908), Werken 4, De ‘culturele’ seksuele moraal en de moderne nervositeit 1908d 388.

  3. Freud S., ( 1932), Werken 10, Waarom oorlog? 19 b [19 2] 233
; (1929)Werken 9, Het onbehagen in de cultuur 19 0a [1929] 456.

  4. Kaës R., Malêtre, Dunod 2012, p. 53.
  5. Le Coq Héron n°201.
  6. Kaës R., Op cit, p. 99.
  7. Kaës R., Op cit, p. 100.
  8. Kaës R., Op cit, p. 109.
  9. Kaës R., Op cit, p. 110.
  10. Kaës R., Op cit, p. 88.
  11. Kaës R., Op cit, p. 91.
  12. Kaës R., Op cit, p. 150.
  13. http:// /www.lemonde.fr/idees/article/2012/06/14/barak-obama-et-la-guerre-des-drones_1718596_3232.html Zie ook : Depuis son arrivée à la Maison Blanche, l’actuel président des États-Unis a ordonné 350 missions de frappes ciblées qui ont coûté la vie à plus de 3 000 personnes dans le cadre de la guerre contre Al-Qaïda rappelle, dans un rapport de janvier 2013, le think-tank indépendant Council on Foreign Affairs (Conseil en relations internationales). Enfin, l’arsenal de drones a explosé aux États-Unis depuis 2001, passant de 50 à 7 500 en 2012.
    http://www.france24.com/fr/20130207-drones-tueurs-etats-unis-brennan-nomination-cia-senat-audition-obama-al-qaida-assassinat?
  14. Irvine L., What ‘austerity’ has done to Greek healthcare https://www.opendemocracy.net/ournhs/louise-irvine/what-‘austerity’-has-done-to-greek-healthcare
  15. Freud S., 1926, Remming, symptoom en angst, Freud, Werken, 9, 186.
  16. Vandecasteele I. et Lefebvre A., De la fragilisation à la rupture du lien social : approche clinique des impacts psychiques de la précarité et du processus d’exclusion sociale, Cahiers de psychologie clinique, 2006/1 no 26, p. 137-162. DOI : 10.3917/cpc.026.0137, 149.
  17. Louise Irvine Op cit et Recherche d’octobre 2012 à hôpital Areteion d’Athènes http://greekcrisisnow.blogspot.com/2012/10/memorandum-iii.html
  18. 2,8 voor 100 000 inwoners (eurostat, cité par french.china.org.cn 2012/06/18 )
  19. Dejours Ch., Souffrance en France, la banalisation de l’injustice sociale. Le Seuil (1998). Différents articles sont disponibles en ligne, notamment sur http://1libertaire.free.fr/Dejours10.html http://1libertaire.free.fr/Dejours07.html
  20. De Urtubey L., Quand une inquiétante réalité envahit le travail du psychanalyste – Revue française de psychanalyse (Paris) 1982/02.
  21. Freud S., 1912 Adviezen voor de arts bij de psychoanalytische behandeling, Freud, Werken, 5, 492-502.
  22. Freud S., 1919a Wegen van de psychoanalytische therapie, Freud Werken 8, 48-58.
  23. Cité par Richard H., Une psychanalyse postmoderne ? Filigrane, volume 6, numéro 2, 1997
  24. Vandecasteele I. et Lefebvre A. Op cit p. 150, 151.
  25. Ibidem p. 151.
  26. Ibidem p. 152.
  27. Voir les travaux de l’Observatoire des pratiques en Santé Mentale et Précarité et notamment Jean Maisondieu, De l’exclusion pathogène au syndrome d’exclusion in Rhizome4 – Mars 2001.
  28. Davoine F. et Gaudillière J-M ., Histoire et trauma – Stock 2006, p. 103.
  29. Lyda L’hoste M., Le terrorisme d’État : vicissitudes de la souffrance psychique et des institutions psychanalytiques, in Filigrane, Vol 6 N°1 printemps 1997 Voir aussi Puget J. et Wende L., Aux limites de l’analysabilité tyrannie corporelle et sociale Rev. franç. Psychanal., 3/1987
  30. Freud S., “Wegen van de psychoanalytische therapie”, Freud Werken, 8, 48-58.
  31. Roussillon R., Revue française de psychanalyse 2004/1 – Vol. 68 – pages 79 à 94 et Fédida P., L’absence – Folio.
  32. Kaës R., Op cit, p 27.
  33. Notions de P. Delion, R. Roussillon : La fonction phorique recueille, contient et porte, étaie,… la fonction sémaphorique vise à mettre en forme signifiante, en signe… tandis que la fonction métaphorique vise à la rendre symbolisable et intégrable, à la mettre en sens.
  34. Delion P., Séminaire sur l’autisme et la psychose infantile, 2ième ed. 2006 – Eres, p. 53.
  35. Milner M. Le rôle de l’illusion dans la formation du symbole, Rev. Franc. Psychanal., 5-6/1979.
  36. Rey B., Modelage et psychose : de la matière brute à sa mise en forme. Sensorialité, travail de l’archaïque et symbolisation. Thèse de doctorat Université Lumière Lyon 2 – 2010
  37. La fonction symbolisante de l’objet, objet au sens de la mère, l’environnement, le cadre fruit d’un véritable travail psychique de transformation qui implique la présence d’un objet et plusieurs temps. 1-Un temps intersubjectif. Un soin ou un jeu intersubjectif. 2-Un temps auto-subjectif, un temps de jeu solitaire. 3-un temps « narcissique », celui du rêve. Ce travail de symbolisation se répartit suivant les dispositifs entre les trois pôles suivants. 1-Dans le cadre et les médiations qu’il offre. 2-Dans la psyché du patient. 3-Dans celle du clinicien. Quand une propriété n’est pas dans la psyché du patient, qu’elle est en souffrance, elle doit impérativement être dans le dispositif et/ou dans la psyché du thérapeute. (Roussillon, notes : Le processus de symbolisation et ses étapes).
  38. Freud S., Wegen van de psychoanalytische therapie, Freud Werken, vol 8, Boom 2006, p. 57-58).

Ce message est également disponible en : Frans

%d bloggers liken dit: