Tomas Geyskens – “Heilige Elvis, bid voor ons”. Over psychoanalyse en de kliniek van de handicap

Tomas Geyskens – “Heilige Elvis, bid voor ons”. Over psychoanalyse en de kliniek van de handicap

(Lezing op het Jubileumcongres van de Belgische School voor psychoanalyse – Mei 2015)

1.

“Kijk hoe sluw de zee is; kijk hoe haar geduchtste schepselen onder water glijden, voor het merendeel onzichtbaar en bedrieglijk verstopt onder de lieflijkste tinten azuur. Kijk naar de duivelse schittering en schoonheid van vele van haar onmeedogendste bewoners, zoals de sierlijke welgeschapenheid van veel haaiensoorten. Kijk nogmaals naar het algemene kannibalisme in de zee, hoe alle schepselen daarin op elkaar azen en eeuwig in oorlog zijn sinds het begin van de wereld.

Kijk naar dit alles en wend dan je blik naar deze groene, vriendelijke aarde; kijk naar beide, zee en land: bespeur je niet een vreemde overeenkomst in jezelf? Want zoals deze schrikbarende oceaan het fleurige land omringt, zo ligt in de ziel van de mens een geïsoleerd Tahiti, een eiland vol vrede en vreugde, maar omringd door alle gruwelen van het half gekende leven. God behoede je! Stoot niet af van dat eiland, je kunt er nooit meer naar terug!”[1].

*

In Zonnelied, een instelling voor mensen met een verstandelijke handicap, woont Julia, een vrouw van in de vijftig met een verstandelijke handicap. Zij woont al vele decennia in Zonnelied. Julia belijdt een merkwaardige privé-godsdienst: de religieuze verering van Elvis Presley. Ze stapt rond achter een rollator waarop een foto van Elvis is geplakt, ze luistert zoveel ze kan naar Cd’s van Elvis, ze bidt tot Elvis wanneer het moeilijk gaat en ze doet aan missioneringswerk door iedereen die het wil horen, te overtuigen van het onvergelijkbare genie van Elvis Presley.

Maar Julia’s godsdienst is niet alleen maar rozengeur en rock-’n-roll. Er zijn ook momenten van duisternis en godsverlatenheid. Wanneer Julia tijdens een wandeling een steile helling op moet en begint achterop te geraken, vertrouwt ze – helemaal buiten adem, over haar rollator gebogen – een van de begeleidsters toe: “En waar is hij nu, den Elvis?”. Julia’s verering van Elvis betekent niet dat ze zo’n halvegare is die denkt dat Elvis nog leeft. Haar theologie zit enigszins complexer in elkaar. Elvis is gestorven en hij is echt dood. Dat is een bron van zwaarmoedigheid en een ervaring van radicale negativiteit. Maar tegelijk is Elvis sterker dan de dood, want – ik citeer – “Als je zijn stem hoort, dan is hij er nog.” Dus niet: ‘dan is het alsof hij er nog is’, maar: ‘dan is hij er nog’. Presentia realis.

Julia is niet psychotisch. ze is een wijze, realistische, ietwat melancholisch gestemde vrouw, en haar Elvisverering, die enorm belangrijk is voor haar, is toch volledig geïntegreerd in de concrete beslommeringen van haar dagelijks leven. Elvis is geen jaloerse, almachtige, krankzinnige God; voor Julia is hij de heilige van het ritme en van het plezier, van de ambiance en de show, van de troost en de depressie, van slechte films en schlagers, van te veel slaappillen en junkfood en hartinfarcten op het toilet. Kortom, een heilige van het echte leven.

2.

“Er doen zich in deze vreemde warboel die wij leven noemen zulke rare momenten en gelegenheden voor dat de mens het hele universum gaat beschouwen als een enorme practical joke, al kan hij de grap ervan amper inzien en heeft hij het stellige vermoeden dat hij en niemand anders de klos is. Toch slaat niets hem uit het veld en lijkt niets de moeite om over te twisten waard. Hij slikt alle gebeurtenissen, alle geloofsbelijdenissen en opvattingen en overtuigingen, alle harde zaken, zichtbaar en onzichtbaar, hoe knoestig ook, zoals een struisvogel met zijn machtige spijsvertering kogels en vuurstenen naar binnen schrokt. Deze eigenaardige, weerspannige stemming waarop ik doel komt alleen over de mens in tijden van uiterste beproeving: ze overvalt hem bij diepe ernst en dan lijkt iets wat hem misschien net nog van het hoogste gewicht leek, gewoon onderdeel van de algehele grap. Door niets wordt deze ongedwongen, onbekommerde desperado-filosofie zo opgeroepen als door de gevaren in de walvisvaart.” (Moby Dick, 253).

*

Irma is een vrouw van 52 jaar oud, die sinds haar 17 jaar in Zonnelied woont. Ze heeft een verstandelijke handicap en werd door de psychiatrie gediagnosticeerd als ‘een gedesorganiseerde schizofrenie’. Irma heeft twee interesses die haar geen minuut loslaten: wanorde en lichaamshaar. Als je haar laat doen en haar niet voortdurend begeleidt in alles wat ze doet, wordt ze overvallen door een onweerstaanbare drang om alles op te ruimen en op orde te zetten. Dat lijkt misschien een vrij nuttige pathologie, maar Irma’s strijd tegen de slordigheid overstijgt in grote mate de algemeen menselijke behoefte aan orde en netheid. Een klein pluisje dat voor het blote oog nauwelijks zichtbaar is, of een plastiek zakje dat Irma vanuit haar vensterraam op de straat ziet liggen, zuigen al haar aandacht op en doen de wereld in elkaar storten, tenzij het nu direct wordt opgeruimd. Je moet haar voortdurend letterlijk wegtrekken van dergelijke zwarte gaten van slordigheid die de wereldorde bedreigen.

Naast deze ordedwang heeft Irma ook een obsessie met lichaamshaar. Als ze ook maar even aan onze aandacht ontsnapt, zoekt ze een scheerapparaat of een scheermesje om zich te kunnen ontharen. Deze ontharing is zodanig intens dat ze zich tot bloedens toe verwondt om toch maar elk beginnend haartje te ontwortelen. Als ze geen scheermesje vindt, begint ze na een tijdje met de blote hand haar haren uit te trekken. Deze ontharingsdwang staat in schril contrast met de zorg die ze aan haar hoofdhaar besteedt én met de sensopathische gelukzaligheid die ze beleeft aan de haren op de armen van de mannelijke begeleiders. Een typische scene is dat Irma plots je hand vastpakt en met het puntje van haar neus over de haartjes op je vingers of je armen wrijft.

Het was dan ook een mooie illustratie van de grenzen van de opvoedbaarheid, toen we onlangs in een oud dossier een verslag vonden van Irma’s eerste psychiatrische consultatie, toen ze vijf jaar oud was, dus 48 jaar geleden, waarin de psychiater beschreef hoe de kleine Irma, terwijl hij met haar ouders sprak, zijn hand vastpakte en met haar neus aan de haartjes op zijn vingers voelde. Ook de rest van zijn verslag is na een halve eeuw nog perfect van toepassing op de huidige Irma: “Irma is een zwaar mentaal gestoord meisje met uitgesproken psychotische aandoeningen, lief en netjes, maar met zeer bizar gedrag, stereotypieën en autistiforme kenmerken.”

Tien jaar later, wanneer Irma zestien is, beschrijft Zuster Ludwina van het internaat haar ongeveer op dezelfde manier, en ze besluit met een aanbeveling die ook nu nog altijd uiterst actueel is: “Het is essentieel dat we Irma aanvaarden zoals ze is; dit is: als een ‘gekke meid’ die haar eigen eigenaardigheden heeft. Op deze manier zal onze aanpak en houding niet meer zo angstig en paniekerig zijn”. We zijn dan in de jaren 1970. De Franciscanessen tegen de orthopedagogie! Vandaag is Irma twee-en-vijftig en nog altijd even onverzoenlijk en onopvoedbaar, en haar begeleiders moeten zich nog altijd, telkens weer, voornemen niet te angstig en paniekerig te zijn en Irma te aanvaarden als een gekke meid met haar eigen eigenaardigheden. Irma’s eigenaardigheid aanvaarden, betekent natuurlijk niet dat je haar moet laten begaan wanneer ze met een scheermes haar vel wil opensnijden.

3.

“Nog iets: net zoals de diepe stilte die aan de storm voorafgaat en hem aankondigt misschien erger is dan de storm zelf, omdat de stilte niets anders is dan de omslag en de envelop van de storm en deze in zich draagt, zoals het schijnbaar ongevaarlijke geweer het noodlottige kruit en de kogel en de knal in zich heeft; zo herbergt ook de sierlijke rust van de harpoenlijn, terwijl hij zwijgend tussen de roeiers slingert voor hij echt in werking wordt gebracht – zo herbergt die meer ware verschrikking dan enig ander aspect van deze gevaarlijke onderneming. Maar waarom meer gezegd? Iedereen leeft verstrikt in walvislijnen. Iedereen is geboren met een strop om zijn hals, maar het is pas wanneer hij gevangen is in de snelle, plotselinge wending van de dood dat een sterveling de stille, verraderlijke, altijd aanwezige gevaren van het leven beseft.” (Moby Dick, 309).

*

Mia is een vrouw van veertig jaar met een lichte verstandelijke handicap. Eigenlijk zijn er twee Mia’s. Mia 1 is een lieve, zachte vrouw die een beetje afstandelijk is en liefst op de achtergrond blijft. Ze knutselt graag, ze houdt zich in stilte bezig met allerlei huishoudelijke klusjes, ze zet koffie, en in het weekend helpt ze bij het koken om de verveling van de weekendnamiddagen te verdrijven. Ze is ook zeer begaan met de zwakkere bewoners, en wanneer iemand sterft in Zonnelied, schrijft ze een ontroerend tekstje voor in de mis. (Mia is een van de weinige bewoners van Zonnelied die kunnen schrijven).

Mia 2 is een totaal andere vrouw, die zichzelf wil kapotmaken en die dat doet door de meest extreme vormen van automutilatie. Ze snijdt haar buik open, ze knipt met een schaar in haar tong of in haar vagina, ze slikt paperclips, spelden en glasscherven in, ze wurgt zichzelf met haar broeksriem, enzovoort. De theatraliteit van dergelijke scènes doet niks af aan de ernst van de verwondingen. Het is een theater van de wreedheid op de rand van de dood. In deze scènes voert Mia steeds opnieuw de grote traumatische herinnering aan de dood van haar vader op. Toen Mia elf jaar oud was, heeft haar vader zich opgehangen aan een touw en zij moest totaal in paniek op zoek naar een schaar of een mes om hem los te snijden. In de bloederige scènes die zij altijd weer opvoert, kruipt zij in de huid van haar vader, en ze dwingt daardoor de ander in de rol van de kleine Mia van elf. De begeleiders moeten de rol spelen van diegene die totaal in paniek geraakt en die haar in allerijl moet proberen te redden door haar los te snijden, haar te reanimeren, of haar met de MUG naar het ziekenhuis te brengen. Zijzelf blijft in deze extreme situaties meestal ijzig kalm en het is de ander die de paniek en de walging en de wanhoop moet voelen die zij heeft gevoeld bij het lijk van haar vader.

De overgang van Mia 1 naar Mia 2 duurt soms maar een fractie van een seconde, zodat iedereen voortdurend op zijn hoede is, ook wanneer er geen vuiltje aan de lucht lijkt te zijn, “net zoals de diepe stilte die aan de storm voorafgaat en hem aankondigt misschien erger is dan de storm zelf, omdat de stilte niets anders is dan de omslag en de envelop van de storm en deze in zich draagt.”

*

Zonnelied is een instelling die geïnspireerd is door de psychoanalyse, maar het is geen psychiatrische inrichting en ook geen psychotherapeutisch centrum. Het is een plaats waar mensen met een verstandelijke handicap komen, niet om te genezen of beter te worden, maar om te wonen en samen te leven. Het is dus een zaak, niet van psychologie of therapie, maar van politiek. De psychoanalytische inspiratie van Zonnelied is daarom in de eerste plaats een constante confrontatie met wat Jacques Schotte noemde: l’idée-choc de Freud: “Het idée-choc van Freud is dat we de verhouding moeten herdenken, niet alleen in de kliniek, maar voor ieder van ons als mens, tussen normaliteit en pathologie”[2]. Dat betekent niet alleen dat de geest van de psychoanalyse zich verzet tegen de sociale uitsluiting, maar ook tegen de psychische uitsluiting. Want, in de woorden van François Tosquelles: “Niet alleen de sociale uitsluiting, het sociale isolement en de onderdrukking creëren onoverkomelijke obstakels. De ergste, diabolische, verleiding die ‘de gekken’ wordt geboden, is de verleiding van de zogenaamde normaliteit, die cash wordt betaald met de verbrijzeling van het subject van het verlangen”[3].

  1. Melville H., Moby Dick, 302.
  2. Schotte J., (1990), Szondi avec Freud. Sur la voie d’une psychiatrie pulsionnelle. Bruxelles, De Boeck, p. 144.
  3. Tosquelles F., 2012 (1985), Le vécu de la fin du monde dans la folie : Le témoignage de Gérard de Nerval. Grenoble: Million, p. 15.

Ce message est également disponible en : Frans

%d bloggers liken dit: